image description

ASW Journal

Theses from Interdisciplinary Social Sciences (ASW)

JihadMartijn Dekker – Dom. Naïef. Labiel. Zomaar wat woorden die zogenaamde experts in de mond nemen om de geestesgesteldheid van jonge ‘jihadisten’ die naar Syrië vertrekken, te omschrijven. Niet dat deze experts zelf ook maar een woord met de jongeren in kwestie hebben gesproken, maar dat is voor dit soort psychologie van de koude grond gelukkig allerminst nodig.

Politici van diverse partijen en leden van het kabinet spreken vooral van het gevaar dat eventueel terugkerende jihadisten vormen voor de Nederlandse samenleving. Radicalisering! Terrorisme! Aanslagen! De camera’s draaien, de presentatoren smullen en het publiek kan zich genoegzaam opwinden en bang laten maken. De vraag is echter waarom de motieven van de jongeren in kwestie niet serieus worden genomen. Waarom de redenen voor hun vertrek naar een oorlogsgebied – wat toch van lef getuigt – niet op zijn minst een beetje op waarde worden geschat. Want als je de motieven niet goed kent en de jongeren in kwestie slechts als gek of gevaarlijk bestempelt, of ze hun paspoort afpakt om te voorkomen dat ze überhaupt afreizen, sluit je dan niet de weg naar een duurzame en inclusieve oplossing af?

In maart van dit jaar, toen Pauw het nog met Witteman deed, was jongerenimam Yassin Elforkani op bezoek, en sprak hij wijze woorden door zijn zorgen te uiten en erop te wijzen dat jongeren de consequenties van een reis naar Syrië veelal niet kunnen overzien. Jesse Klaver van GroenLinks was er echter al snel bij om de nuancering teniet te doen en de jongeren als ‘leip’ weg te zetten. Dat het ietwat ironisch was dat naast hem student Wijbe Abma zat, die al diverse keren alleen naar Syrië afreisde om daar hulpgoederen uit te delen, ontging Klaver volledig. Abma is een oer-Hollandse held en zijn motieven of geestesgesteldheid staan blijkbaar niet ter discussie. Hij wilde iets doen, kwam erachter dat hij ook iets kon doen, en ging gewoon.

Tegenhouden
Eerder op dezelfde avond in maart, in het EO-programma ‘De Vijfde Dag’, bleef presentator Tijs van den Brink zich maar afvragen waarom we destijds niks deden om die jongeren tegen te houden. De reden leek toen vrij eenvoudig: omdat het iedereen met een paspoort vrij staat om de wereld over te reizen en de meest bizarre dingen te doen; de K2 beklimmen, bungeejumpen, op survivaltocht in het Amazonegebied gaan of met een step proberen de Sahara te doorkruisen – het kan en mag allemaal.
Het interessante aan het fenomeen van de jihadisten is dat ze, in tegenstelling tot de hierboven genoemde voorbeelden, niet alleen hun eigen grenzen proberen te verleggen, maar vooral ook andere mensen willen helpen. De machteloosheid en het knagende gevoel dat je iets wilt doen, maar niet weet wat, zullen veel mensen bekend voorkomen. Na de oorlogsbulletins in bioscopen, de eerste tv-beelden uit Vietnam en enkele decennia later de beelden van inslaande raketten tijdens de eerste Golfoorlog, leven we nu in een tijd waarin we door globalisering en geavanceerde technologie in staat zijn om precies te zien hoe gruwelijk de gevolgen van een oorlog zijn. Je hoeft slechts journalist Harald Doornbos op Twitter te volgen om met regelmaat de confronterende, dagelijkse tussenstand van het aantal Syrische slachtoffers mee te krijgen.

In maart van dit jaar leek de strijd in Syrië nog een ver-van-ons-bed-show. Maar tijdens de hete zomer van 2014 lijkt er het een en ander veranderd te zijn. Want naar het schijnt, zijn we anders gaan denken over de relatie tussen vrijheid en veiligheid. Althans, over de vrijheid van anderen en hoe zich die verhoudt tot de veiligheid van onszelf. Het leidt tot gevoelens van ongemak en angst, maar vooral ook tot lastige vragen.

Kort geleden zijn de paspoorten van potentiële jihadisten ingenomen, om te voorkomen dat ze afreizen naar Irak of Syrië en met IS of de Syrische oppositie mee gaan vechten. Aangemoedigd door bijvoorbeeld Sybrand Buma van het CDA, die hier eerder in de Volkskrant nog voor pleitte, heeft het kabinet besloten om preventieve daadkracht te tonen. Het lastige aan deze kwestie is dat het welhaast veronderstelt dat we van doen hebben met een ‘gedachtenpolitie’. Het gaat namelijk om ‘intenties’ en wie kan die ondubbelzinnig en bewijsbaar vaststellen? En als je ze eenmaal hebt vastgesteld, hoe ga je ze dan strafbaar stellen en welke straf ga je er, naast het uitreisverbod, aan verbinden?

Het zijn inderdaad lastige vragen. Nog afgezien van de juridische haken en ogen, en onze in de grondwet verankerde basisrechten, is er een morele dimensie die we niet uit het oog moeten verliezen. Kunnen en willen we in Nederland mensen gaan vervolgen omdat ze er bepaalde ideeën op nahouden? En, zo ja, welke neutrale instantie gaan we daar dan verantwoordelijk voor maken en welke methoden mag deze gebruiken?

In discussies over de bevoegdheden van de opsporingsdiensten is een veel gehoord argument “Ik heb niks te verbergen”. Het klinkt logisch, en ook ik bedien me er wel eens van, maar het is een te eenvoudige voorstelling van zaken. Want als we praten over intenties, gedachten, plannen en andere niet verwezenlijkte ideeën, dan is de kans op arbitraire, gerechtelijke dwalingen heel erg groot. Ik moet meteen denken aan het verhaal van het Amerikaanse echtpaar dat de FBI op bezoek kreeg, nadat de man en vrouw, daags na de aanslag bij de marathon van Boston, los van elkaar, hadden gezocht naar een snelkookpan en een rugtas – de artikelen die waren gebruikt bij de bomaanslag. Big Brother is watching you…

De angst regeert. En hoewel ik zelf denk dat de dreiging van zogenaamde ‘terugkerende Jihadstrijders’ schromelijk overdreven wordt, is de vrees ervoor wel enigszins begrijpelijk. Het betreft jongeren die er hele andere ideeën op na houden over hoe we als mensen met elkaar samenleven. En iedereen die van dichtbij een gewapend conflict heeft meegemaakt, weet hoezeer je mentale gezondheid er negatief door beïnvloed wordt. Het is, eufemistisch gezegd, een verre van ideale combinatie.

Maar iedereen die onze verworven vrijheden op prijs stelt – ik zou hier met name bijval van de heren en dames van bijvoorbeeld GeenStijl verwachten – zou niet het gevaar van de potentiële of terugkerende Syriëgangers moeten vrezen, maar eerder de gevaren die uitgaan van de manieren waarop de overheid daarmee omgaat. Door zowel de jongeren met intenties om af te reizen naar Syrië of elders, diegenen die sympathieën hebben voor buitenlandse strijders, of zij die als zodanig terugkeren, meteen als criminelen of (potentiële) terroristen te behandelen, gaat men contraproductief te werk. Het lijkt bijna alsof Opstelten en Buma cum suis op een zichzelf waarmakende voorspelling hopen, waarbij het radicaliseringsproces nog wat verder op gang geholpen wordt. Maar het belangrijkste argument tegen het (verder) optuigen van een Nederlandse ‘politiestaat’ is dat het bestraffen van het hebben van intenties en ideeën niet strookt met onze Nederlandse normen en waarden. Het is onrechtvaardig en druist in tegen onze Nederlandse rechtsstaat. En het is mijns inziens een enge ontwikkeling die weinig goeds doet vermoeden voor de toekomst van de vrijheid in Nederland

Weinig doen
In George Orwells 1984 zei O’Brien, een medewerker van het Ministerie van Waarheid, het treffend: ‘Wil je een beeld van de toekomst? Stel je een laars voor die stampt op een menselijk gezicht – voor altijd.’ Wie had kunnen denken dat die gelaarsde voet aan Ivo Opstelten zou toebehoren? In een democratische rechtsstaat als Nederland past zo’n gelaarsde voet niet; een uitgestoken hand zou beter zijn. En, in aanvulling daarop, een luisterend oor. Want hoewel we er ons dus steeds beter bewust van zijn hoe vreselijk de gevolgen van oorlog zijn, lijken we ons niet te kunnen verplaatsen in de wensen en ambities van een groep jongere Nederlanders, met name Moslims, en wordt er nauwelijks nagedacht over de beschikbare beleidsinstrumenten.

Wij, het publiek, zien de beelden en lezen de huiveringwekkende verhalen die correspondenten optekenen in vluchtelingenkampen of in de belegerde wijken en dorpen zelf. Maar naast geld geven, kunnen we weinig doen. En onze gekozen vertegenwoordigers, die wel mogelijkheden tot hun beschikking hebben, besloten pas tot inzet van militaire middelen na de twijfelachtige vaststelling dat onze eigen veiligheid in het geding was gekomen, wat betekent dat onze jongens en meiden eigenlijk niet worden ingezet om de veiligheid voor de belegerde Syriërs en Irakezen te verbeteren.

Dat kunnen we om geopolitieke redenen misschien nog wel verklaren, maar kunnen we niet net zo goed proberen begrip op te brengen voor het heftige verlangen van jongeren om de mensen te helpen met wie ze zich, omwille van een religieus geïnspireerd gevoel van medemenselijkheid, verwant voelen?

Het moge duidelijk zijn dat het een slechte zaak is dat ongetrainde jongens afreizen naar Syrië om daar in levensgevaarlijke situaties terecht te komen. Waar mogelijk moeten we daarom inderdaad deze jongeren tegen zichzelf in bescherming nemen. Maar dat bereik je het beste door ze op zijn minst serieus te nemen en niet weg te zetten als domme naïevelingen. En al helemaal niet door ze als potentieel gevaar of terrorist te brandmerken en hun paspoort af te pakken.

Nee, probeer bijvoorbeeld om de ongeleide woede over het onrecht en bloedvergieten in Syrië in te zetten om particuliere hulpprojecten, al dan niet religieus geïnspireerd, op touw te zetten of te ondersteunen. Niet alleen hier, maar vooral in Syrië zelf. De vraag of er in de toekomst ook grondtroepen naar het gebied gestuurd moeten worden, laat ik voor nu even onbeantwoord, maar qua hulpverlening zijn er sowieso ‘boots on the ground’ nodig. Veel meer dan ‘boots stamping on a human face’.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs

Katja Veen - Illustratie Katja Veen – Dit onderzoek gaat over de agency van de jeugd in Katete, een kleine stad in het oosten van Zambia. Vanuit veel wetenschappelijke literatuur wordt er nog steeds gedacht dat jongeren uit derdewereldlanden in de niet-urbane regio’s vrijwel geen zelfstandige beslissingen maken, maar dat deze met name door de familie, de samenleving en de cultuur bepaald worden. Uit dit onderzoek komt echter naar voren dat jongeren tot op bepaalde hoogte wel hun eigen beslissingen maken. De toegenomen agency van de jeugd staat in relatie tot de mondialisering, zoals tv, formele educatie en mensenrechten. Hierdoor zijn de tradities steeds meer aan het afbrokkelen, waardoor de jongeren steeds minder culturele richtlijnen hebben. Dit uit zich ook in het feit dat jongeren steeds meer vrijheid hebben om risicogedrag te vertonen waardoor de agency van de jeugd voor velen een negatieve connotatie krijgt en niet door alle jongeren even positief gewaardeerd wordt.

BachelorscriptieASW_Katja_Veen

Global Youth Theses