image description

ASW Journal

Theses from Interdisciplinary Social Sciences (ASW)

Palestijns protest - (c) Martijn DekkerDe laatste weken heb ik verschillende initiatieven en acties in mijn inbox ontvangen, die onze nieuwe Minister van Buitenlandse Zaken Koenders oproepen om de Palestijnse staat te erkennen. In navolging van Zweden en België is het blijkbaar tijd om eindelijke de Palestijnse ambities te formaliseren, zeggen organisaties als Een Ander Joods Geluid (EAJG), zeker nu ook op Europees niveau gediscussieerd wordt over nieuw beleid.

Minister Koenders heeft al aangegeven dat hij deze erkenning nog te vroeg vindt komen en niet passen in het Nederlandse beleid, maar desondanks gaan er dus ook in Nederland steeds meer stemmen op voor actie. Hoewel ik heb samengewerkt met onder andere EAJG, en de doelen van de organisatie zeker onderschrijf, vind ik het een bijzonder slecht plan om op dit moment Palestina als staat te erkennen.

Laat ik voorop stellen dat ik een groot voorstander ben van de twee-statenoplossing en ik zou het fantastisch vinden als ik het ooit mag meemaken dat Israël en Palestina naast en met elkaar kunnen bestaan. Als twee zelfstandige staten, met aan beide kanten van de grenzen mensen met een open blik naar de wereld, mensen die kunnen voorzien in hun eigen levensbehoud; Israëli’s en Palestijnen, in alle soorten en maten, die zich kunnen richten op een gezamenlijke toekomst.

Maar iedereen die dit rooskleurige toekomstbeeld onderschrijft, kan helaas maar tot één conclusie komen: erkenning van de Palestijnse staat, in de huidige context, is een heel slecht idee. Hoewel politieke steun voor een twee-statenoplossing, waar een Palestijnse staat uiteraard deel van uitmaakt, absoluut te prijzen valt, zal erkenning in het kader van de huidige status quo slechts leiden tot een anderhalvestaatoplossing, waarbij de Palestijnen de baas mogen spelen in een eilandenrijkje van losse steden, gelegen binnen een door Israël gedomineerd grondgebied. Geen controle over lucht- en zeeverkeer of over de eigen grenzen, geen zeggenschap over wat er al dan niet geïmporteerd en geëxporteerd mag worden, geen invloed op wie de landsgrenzen mag passeren – een karikatuur van een staat.

In de huidige situatie, waarin Israël absolute controle heeft over het doen en laten van de Palestijnen en de grenzen tussen en rondom de Palestijnse gebieden volledig beheerst, en door de historische ontwikkelingen die daartoe geleid hebben, is de Palestijnse Autoriteit – de interim-regering die sinds de Oslo-akkoorden van halverwege de jaren negentig de weg moest bereiden voor een permanente Palestijnse vertegenwoordiging – verworden tot een politiek gedrocht. Paradoxaal genoeg is de Palestijnse overheid tandeloos en machteloos ten opzichte van de grootste bedreiging van het eigen volk, wat natuurlijk de Israëlische bezettingsmacht is en de honderdduizenden kolonisten, en tegelijkertijd nogal autoritair ten opzichte van de eigen bevolking, zeker waar het politiek andersgezinden betreft. Een slechter uitgangspunt is nauwelijks denkbaar voor een “nieuwe” staat.

Maar het is niet vreemd dat deze situatie tot stand is gekomen, omdat het vrijwel onmogelijk is om een staat op te bouwen in de context van een vijandige bezetting, waarbij een heel volk talloze vrijheden ontnomen wordt en waar onderlinge verschillen uitgebuit en uitvergroot worden door een verdeel-en-heers-politiek.

Erkenning van zo’n staat als volwaardig lid van de internationale gemeenschap is weinig meer dan een symbolische daad – een formaliteit die niets aan de ongelijke machtsverhoudingen op de grond zal veranderen. Sterker nog, het zal die machtsverhoudingen alleen maar versterken, want ze zijn dan geformaliseerd.

Laat één ding wel duidelijk zijn: ik behoor niet tot die mensen die vinden dat de Palestijnen eerst hun steun voor Hamas moeten intrekken of hun verzet tegen de bezetting moeten staken, voordat ze erkenning “verdienen”. Zolang Israël zich namelijk laat gelden in de Bezette Gebieden, mag en kun je dit niet vragen van een volk. Bovendien, voor diegenen die geen Arabisch spreken, Hamas is een verzetsbeweging(!), dus als je als EU of VS dan per se af wilt van die beweging – en volgens mij is dat allerminst noodzakelijk – zorg er dan eerst voor dat de noodzaak voor verzet weggenomen wordt. Het is les één in het handboek voor zogenaamde ‘counter-insurgency’ strategieën: biedt een alternatief, neem de voedingsbodem voor verzet weg.

De eerste en belangrijkste stap die andere landen, waaronder Nederland, dus moeten zetten, is ervoor zorgen dat Israël de bezetting beëindigt. Diplomatieke druk, vergaande sancties, een VN-vredesmacht; de manier waarop doet er niet toe, als het land zich maar terugtrekt uit de bezette gebieden. Alleen dan kunnen Palestijnen, met hulp van de internationale gemeenschap, een staat opbouwen die het waard is te erkennen en die recht doet aan de dromen en ambities van de Palestijnse bevolking, en er tegelijkertijd voor zorgt dat het Israëlische volk de torenhoge morele, psychische en economische kosten van de bezetting niet meer hoeft te betalen. Het is de enige juist stap op dit moment, de enige stap die echt kan bijdragen aan een duurzame en rechtvaardige oplossing voor de netelige kwestie die het Israëlisch-Palestijns conflict is.

Het is tijd voor actie: dwing, eensgezind, samen met andere landen, Israël om eindelijk de onrechtmatige en onrechtvaardige bezetting van de Palestijnse Gebieden te beëindigen!

Martijn Dekker is docent Algemene Sociale Wetenschappen en geeft o.a. vakken over conflict, ongelijkheid, in- en uitsluiting en ontwikkeling. Hij is gepromoveerd op een onderzoek naar de manieren waarop Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever hun veiligheid organiseren.

 

Conflict Studies Blogs

JihadMartijn Dekker – Dom. Naïef. Labiel. Zomaar wat woorden die zogenaamde experts in de mond nemen om de geestesgesteldheid van jonge ‘jihadisten’ die naar Syrië vertrekken, te omschrijven. Niet dat deze experts zelf ook maar een woord met de jongeren in kwestie hebben gesproken, maar dat is voor dit soort psychologie van de koude grond gelukkig allerminst nodig.

Politici van diverse partijen en leden van het kabinet spreken vooral van het gevaar dat eventueel terugkerende jihadisten vormen voor de Nederlandse samenleving. Radicalisering! Terrorisme! Aanslagen! De camera’s draaien, de presentatoren smullen en het publiek kan zich genoegzaam opwinden en bang laten maken. De vraag is echter waarom de motieven van de jongeren in kwestie niet serieus worden genomen. Waarom de redenen voor hun vertrek naar een oorlogsgebied – wat toch van lef getuigt – niet op zijn minst een beetje op waarde worden geschat. Want als je de motieven niet goed kent en de jongeren in kwestie slechts als gek of gevaarlijk bestempelt, of ze hun paspoort afpakt om te voorkomen dat ze überhaupt afreizen, sluit je dan niet de weg naar een duurzame en inclusieve oplossing af?

In maart van dit jaar, toen Pauw het nog met Witteman deed, was jongerenimam Yassin Elforkani op bezoek, en sprak hij wijze woorden door zijn zorgen te uiten en erop te wijzen dat jongeren de consequenties van een reis naar Syrië veelal niet kunnen overzien. Jesse Klaver van GroenLinks was er echter al snel bij om de nuancering teniet te doen en de jongeren als ‘leip’ weg te zetten. Dat het ietwat ironisch was dat naast hem student Wijbe Abma zat, die al diverse keren alleen naar Syrië afreisde om daar hulpgoederen uit te delen, ontging Klaver volledig. Abma is een oer-Hollandse held en zijn motieven of geestesgesteldheid staan blijkbaar niet ter discussie. Hij wilde iets doen, kwam erachter dat hij ook iets kon doen, en ging gewoon.

Tegenhouden
Eerder op dezelfde avond in maart, in het EO-programma ‘De Vijfde Dag’, bleef presentator Tijs van den Brink zich maar afvragen waarom we destijds niks deden om die jongeren tegen te houden. De reden leek toen vrij eenvoudig: omdat het iedereen met een paspoort vrij staat om de wereld over te reizen en de meest bizarre dingen te doen; de K2 beklimmen, bungeejumpen, op survivaltocht in het Amazonegebied gaan of met een step proberen de Sahara te doorkruisen – het kan en mag allemaal.
Het interessante aan het fenomeen van de jihadisten is dat ze, in tegenstelling tot de hierboven genoemde voorbeelden, niet alleen hun eigen grenzen proberen te verleggen, maar vooral ook andere mensen willen helpen. De machteloosheid en het knagende gevoel dat je iets wilt doen, maar niet weet wat, zullen veel mensen bekend voorkomen. Na de oorlogsbulletins in bioscopen, de eerste tv-beelden uit Vietnam en enkele decennia later de beelden van inslaande raketten tijdens de eerste Golfoorlog, leven we nu in een tijd waarin we door globalisering en geavanceerde technologie in staat zijn om precies te zien hoe gruwelijk de gevolgen van een oorlog zijn. Je hoeft slechts journalist Harald Doornbos op Twitter te volgen om met regelmaat de confronterende, dagelijkse tussenstand van het aantal Syrische slachtoffers mee te krijgen.

In maart van dit jaar leek de strijd in Syrië nog een ver-van-ons-bed-show. Maar tijdens de hete zomer van 2014 lijkt er het een en ander veranderd te zijn. Want naar het schijnt, zijn we anders gaan denken over de relatie tussen vrijheid en veiligheid. Althans, over de vrijheid van anderen en hoe zich die verhoudt tot de veiligheid van onszelf. Het leidt tot gevoelens van ongemak en angst, maar vooral ook tot lastige vragen.

Kort geleden zijn de paspoorten van potentiële jihadisten ingenomen, om te voorkomen dat ze afreizen naar Irak of Syrië en met IS of de Syrische oppositie mee gaan vechten. Aangemoedigd door bijvoorbeeld Sybrand Buma van het CDA, die hier eerder in de Volkskrant nog voor pleitte, heeft het kabinet besloten om preventieve daadkracht te tonen. Het lastige aan deze kwestie is dat het welhaast veronderstelt dat we van doen hebben met een ‘gedachtenpolitie’. Het gaat namelijk om ‘intenties’ en wie kan die ondubbelzinnig en bewijsbaar vaststellen? En als je ze eenmaal hebt vastgesteld, hoe ga je ze dan strafbaar stellen en welke straf ga je er, naast het uitreisverbod, aan verbinden?

Het zijn inderdaad lastige vragen. Nog afgezien van de juridische haken en ogen, en onze in de grondwet verankerde basisrechten, is er een morele dimensie die we niet uit het oog moeten verliezen. Kunnen en willen we in Nederland mensen gaan vervolgen omdat ze er bepaalde ideeën op nahouden? En, zo ja, welke neutrale instantie gaan we daar dan verantwoordelijk voor maken en welke methoden mag deze gebruiken?

In discussies over de bevoegdheden van de opsporingsdiensten is een veel gehoord argument “Ik heb niks te verbergen”. Het klinkt logisch, en ook ik bedien me er wel eens van, maar het is een te eenvoudige voorstelling van zaken. Want als we praten over intenties, gedachten, plannen en andere niet verwezenlijkte ideeën, dan is de kans op arbitraire, gerechtelijke dwalingen heel erg groot. Ik moet meteen denken aan het verhaal van het Amerikaanse echtpaar dat de FBI op bezoek kreeg, nadat de man en vrouw, daags na de aanslag bij de marathon van Boston, los van elkaar, hadden gezocht naar een snelkookpan en een rugtas – de artikelen die waren gebruikt bij de bomaanslag. Big Brother is watching you…

De angst regeert. En hoewel ik zelf denk dat de dreiging van zogenaamde ‘terugkerende Jihadstrijders’ schromelijk overdreven wordt, is de vrees ervoor wel enigszins begrijpelijk. Het betreft jongeren die er hele andere ideeën op na houden over hoe we als mensen met elkaar samenleven. En iedereen die van dichtbij een gewapend conflict heeft meegemaakt, weet hoezeer je mentale gezondheid er negatief door beïnvloed wordt. Het is, eufemistisch gezegd, een verre van ideale combinatie.

Maar iedereen die onze verworven vrijheden op prijs stelt – ik zou hier met name bijval van de heren en dames van bijvoorbeeld GeenStijl verwachten – zou niet het gevaar van de potentiële of terugkerende Syriëgangers moeten vrezen, maar eerder de gevaren die uitgaan van de manieren waarop de overheid daarmee omgaat. Door zowel de jongeren met intenties om af te reizen naar Syrië of elders, diegenen die sympathieën hebben voor buitenlandse strijders, of zij die als zodanig terugkeren, meteen als criminelen of (potentiële) terroristen te behandelen, gaat men contraproductief te werk. Het lijkt bijna alsof Opstelten en Buma cum suis op een zichzelf waarmakende voorspelling hopen, waarbij het radicaliseringsproces nog wat verder op gang geholpen wordt. Maar het belangrijkste argument tegen het (verder) optuigen van een Nederlandse ‘politiestaat’ is dat het bestraffen van het hebben van intenties en ideeën niet strookt met onze Nederlandse normen en waarden. Het is onrechtvaardig en druist in tegen onze Nederlandse rechtsstaat. En het is mijns inziens een enge ontwikkeling die weinig goeds doet vermoeden voor de toekomst van de vrijheid in Nederland

Weinig doen
In George Orwells 1984 zei O’Brien, een medewerker van het Ministerie van Waarheid, het treffend: ‘Wil je een beeld van de toekomst? Stel je een laars voor die stampt op een menselijk gezicht – voor altijd.’ Wie had kunnen denken dat die gelaarsde voet aan Ivo Opstelten zou toebehoren? In een democratische rechtsstaat als Nederland past zo’n gelaarsde voet niet; een uitgestoken hand zou beter zijn. En, in aanvulling daarop, een luisterend oor. Want hoewel we er ons dus steeds beter bewust van zijn hoe vreselijk de gevolgen van oorlog zijn, lijken we ons niet te kunnen verplaatsen in de wensen en ambities van een groep jongere Nederlanders, met name Moslims, en wordt er nauwelijks nagedacht over de beschikbare beleidsinstrumenten.

Wij, het publiek, zien de beelden en lezen de huiveringwekkende verhalen die correspondenten optekenen in vluchtelingenkampen of in de belegerde wijken en dorpen zelf. Maar naast geld geven, kunnen we weinig doen. En onze gekozen vertegenwoordigers, die wel mogelijkheden tot hun beschikking hebben, besloten pas tot inzet van militaire middelen na de twijfelachtige vaststelling dat onze eigen veiligheid in het geding was gekomen, wat betekent dat onze jongens en meiden eigenlijk niet worden ingezet om de veiligheid voor de belegerde Syriërs en Irakezen te verbeteren.

Dat kunnen we om geopolitieke redenen misschien nog wel verklaren, maar kunnen we niet net zo goed proberen begrip op te brengen voor het heftige verlangen van jongeren om de mensen te helpen met wie ze zich, omwille van een religieus geïnspireerd gevoel van medemenselijkheid, verwant voelen?

Het moge duidelijk zijn dat het een slechte zaak is dat ongetrainde jongens afreizen naar Syrië om daar in levensgevaarlijke situaties terecht te komen. Waar mogelijk moeten we daarom inderdaad deze jongeren tegen zichzelf in bescherming nemen. Maar dat bereik je het beste door ze op zijn minst serieus te nemen en niet weg te zetten als domme naïevelingen. En al helemaal niet door ze als potentieel gevaar of terrorist te brandmerken en hun paspoort af te pakken.

Nee, probeer bijvoorbeeld om de ongeleide woede over het onrecht en bloedvergieten in Syrië in te zetten om particuliere hulpprojecten, al dan niet religieus geïnspireerd, op touw te zetten of te ondersteunen. Niet alleen hier, maar vooral in Syrië zelf. De vraag of er in de toekomst ook grondtroepen naar het gebied gestuurd moeten worden, laat ik voor nu even onbeantwoord, maar qua hulpverlening zijn er sowieso ‘boots on the ground’ nodig. Veel meer dan ‘boots stamping on a human face’.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs

14161983123_4c2e28cd4e_qMartijn Dekker – Onlangs verzandde ik in een online discussie met enkele ‘Facebookvrienden’ over racisme en vooroordelen. Nadat ik had bekend dat ik, ondanks mijn links-liberale, progressieve inslag, stiekem best wel van politiek-incorrecte grapjes houd, waren de reacties niet mals.

Misschien was ik iets te oprecht. Zo maak ik graag grapjes over Joden, Moslims, Christenen, Marokkanen, Belgen, Nederlanders, negers, blanken, rechtse en linkse mensen, socialisten, fascisten, milieufanaten, feministen, VVD-ers, PVV-ers, GroenLinksers, homo’s, lesbiennes, mannen, vrouwen en kinderen. En ja, in navolging van Gordon in Holland’s Got Talent, ook over Chinezen.

Nadat een van de deelnemers aan de discussie had vastgesteld dat ik dus gewoon een racist ben, ging ik bij mijzelf te rade. Ben ik inderdaad racistisch?

Enerzijds moest ik bekennen dat ik als heteroseksuele (of beter: metroseksuele) hoogopgeleide, middenklasse-, blanke man makkelijk praten heb. Goed, in Haarlem opgroeien als Feyenoordsupporter heeft me geleerd hoe het is om tot een minderheid te behoren – met alle beledigingen, pesterijen en klappen die daar soms bijhoren – maar met structurele discriminatie, uitsluiting of achterstelling heb ik eenvoudigweg geen ervaring.

Toen ik daar nog wat dieper over nadacht, kwam ik tot de conclusie dat ik misschien juist daarom ook nauwelijks een probleem heb met grappen ten koste van mijzelf. En dat ik mijzelf daarom ook allerminst spaar; zelfspot is mij niet vreemd. Omdat ik in het dagelijks leven verder geen effecten van discriminatie of uitsluiting ervaar, raken grappen niet aan de kern van mijn wezen. Maar voor bijvoorbeeld mensen met een donkere huidskleur, die in Nederland in het dagelijks leven wel discriminatie en racisme ervaren, is dat een heel ander verhaal. Vandaar ook de ophef over Zwarte Piet.

En dat jongens van wie de ouders of grootouders in Marokko zijn geboren wat minder kunnen lachen over Marokkanengrappen, dat is bepaald niet vreemd. Als je dagelijks in verband wordt gebracht met overlast, criminaliteit en overlast, dan roept een lollig bedoelde opmerking heel wat meer negatieve emoties op. Als die opmerking überhaupt al ‘lollig’ bedoeld is.

Anderzijds zijn er diverse onderzoeken die uitwijzen dat het hebben van vooroordelen ten opzichte van andere mensen simpelweg onderdeel is van de ‘menselijke natuur’. Het is als het ware voorgeprogrammeerd in het menselijk brein. Hoewel ik weinig op heb met biologisch-deterministische verklaringen voor menselijk gedrag, waar iemand als Dick Swaab in grossiert, ben ik geneigd te geloven dat hier wel een kern van waarheid in zit. Categoriseren en snelle conclusies trekken op basis van oppervlakkige observaties zijn handig gereedschap in het dagelijks leven.

In vroeger tijden was het van vitaal belang dat je op basis van iemands uiterlijk snel kon bepalen of hij of zij tot een andere stam behoorde en daardoor levensgevaarlijk kon zijn. Natuurlijk spelen dergelijke overwegingen in onze moderne samenleving nauwelijks meer een rol, maar om een triviaal (en ietwat discriminerend) voorbeeld te noemen: als ik bij de bakker sta te wachten en ik zie een oudere vrouw binnenkomen, dan let ik extra goed op mijn beurt, want het is mij meer dan eens overkomen dat zo iemand voordringt. En iedereen gelooft in dat geval dat niet de jongere, maar de oudere persoon de waarheid vertelt over de volgorde van binnenkomst.

In dit voorbeeld betreft het een vooroordeel over aan leeftijd gekoppeld gedrag, maar er zijn talloze andere voorbeelden te bedenken. En vaak zijn ze helemaal niet terecht, maar slechts gebaseerd op eerdere ervaringen of, in veel gevallen, op alles wat tot ons komt via de media. Als antropoloog ben ik mij uiteraard bewust van het feit dat de verschillen tussen mensen sociaal geconstrueerd zijn en veel minder groot dan sommigen denken. En ook ben ik me uiteraard volledig bewust van de nog steeds veel voorkomende discriminatie, uitsluiting, vooroordelen en de gevoeligheden die daarbij horen. Maar, ondanks enkele wetenschappers die het tegendeel beweren, staat spelen met vooroordelen niet los van werkelijke discriminatie? Zijn grappen of losse opmerkingen echt per definitie een uiting van dieper liggende racistische overtuigingen?

Mensen kunnen denigrerende opmerkingen uiteraard interpreteren zijnde racistisch, maar dat zegt nog niets over de intenties. Met andere woorden, hebben we soms niet eerder te maken met overgevoeligheid dan met racisme, zeker in het geval van politiek-correct ‘goed volk’ dat het opneemt voor de ‘minder bedeelde medemens’? Ik heb de mening van de betreffende, Chinese Holland’s Got Talentkandidaat nog niet gehoord, om maar een voorbeeld te noemen.

Ik ben een groot voorstander van de vrijheid van meningsuiting, maar ik behoor niet tot die groep mensen die vinden dat je dan ook maar alles moet zeggen. Er is een groot verschil tussen alles mogen zeggen en ook alles daadwerkelijk zeggen. In de online discussie wierp ik daarom op dat je je altijd bewust moet zijn van de omgeving en context waarin je je grappen maakt. Maar zo terugkijkend, besef ik dat ook hier een verkeerde draai aan gegeven kan worden. Want ik wil hier allerminst mee beweren dat je je denigrerende opmerkingen stiekem alleen in de privésfeer moet maken.

Dat raakt namelijk aan het beroemde onderscheid tussen front- en backstageretoriek dat wordt gebruikt om, bijvoorbeeld, de verschillen aan te geven tussen wat extreme politici in het openbaar zeggen en, zich in een veilige omgeving wanend, tegen hun meest fanatieke aanhangers. Dit onderscheid komt bijvoorbeeld ook terug bij de analyses van de toespraken van imams, die in de moskee, in het Arabisch, toch iets anders blijken te zeggen dan in het openbaar, in het Nederlands.

Nee, ik vind dat politiek-incorrecte grapjes in principe ook in het openbaar gemaakt moeten kunnen worden. Ik weet dat ik hiermee heel veel mensen tegen de schenen schop, en een aanzienlijk deel van de politiek-correcte goegemeente in Nederland van mij vervreemd, maar ik moest stiekem best lachen om de opmerkingen van Gordon in Holland’s Got Talent. (Het was in ieder geval grappiger dan de opmerkingen over homo’s van Van der Gijp in Voetbal International, want die heb ik veel beter in vorm gezien qua humor.)
Wat Gordon feilloos liet zien, is dat het niet alleen grappig kan zijn om met bestaande vooroordelen te spelen, maar dat juist de critici vooroordelen ook geïnternaliseerd hebben. Of je je nu ergert aan de vraag of de van oorsprong Chinese kandidaat ‘nummer 39 met rijst’ gaat zingen of dat je erom moet lachen, je weet in beide gevallen precies wat er bedoeld wordt. Mijns inziens veronderstelt dit dat het spelen met dergelijke vooroordelen dus niet betekent dat je automatisch een racist bent. Je bent je in beide gevallen vooral bewust van het bestaan van dit soort vooroordelen. Zonder dat ik het Gordon heb gevraagd, durf ik zelfs wel te beweren dat het in dit geval, op een meta-niveau, best wel zou kunnen gaan om het belachelijk maken van de vooroordelen zelf en niet van de mensen waar die vooroordelen over gaan.

Natuurlijk vind ik racisme verachtelijk, zeker in geïnstitutionaliseerde vorm, maar laten we ook niet Roomser dan de Paus zijn. Vooroordelen zijn niet alleen nuttig om op een efficiënte manier met de wereld om ons heen om te gaan, maar ze kunnen ook bevrijdend werken. Door vooroordelen op een grappige manier aan de kaak te stellen, kun je ze ook van hun scherpe randjes ontdoen. Het is een kwalijke zaak als vooroordelen daadwerkelijk negatieve effecten op het leven (en het beleven ervan) van mensen hebben en dan moeten we dat zeker ter discussie stellen en proberen er iets aan te doen. Maar spélen met vooroordelen hoeft zeker niet direct aan racisme gekoppeld te zijn. Sterker nog, politiek-incorrecte humor is vaak best grappig.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs