image description

ASW Journal

Theses from Interdisciplinary Social Sciences (ASW)

Archive for the ‘Conflict Studies Blogs’ Category

Palestijns protest - (c) Martijn DekkerDe laatste weken heb ik verschillende initiatieven en acties in mijn inbox ontvangen, die onze nieuwe Minister van Buitenlandse Zaken Koenders oproepen om de Palestijnse staat te erkennen. In navolging van Zweden en België is het blijkbaar tijd om eindelijke de Palestijnse ambities te formaliseren, zeggen organisaties als Een Ander Joods Geluid (EAJG), zeker nu ook op Europees niveau gediscussieerd wordt over nieuw beleid.

Minister Koenders heeft al aangegeven dat hij deze erkenning nog te vroeg vindt komen en niet passen in het Nederlandse beleid, maar desondanks gaan er dus ook in Nederland steeds meer stemmen op voor actie. Hoewel ik heb samengewerkt met onder andere EAJG, en de doelen van de organisatie zeker onderschrijf, vind ik het een bijzonder slecht plan om op dit moment Palestina als staat te erkennen.

Laat ik voorop stellen dat ik een groot voorstander ben van de twee-statenoplossing en ik zou het fantastisch vinden als ik het ooit mag meemaken dat Israël en Palestina naast en met elkaar kunnen bestaan. Als twee zelfstandige staten, met aan beide kanten van de grenzen mensen met een open blik naar de wereld, mensen die kunnen voorzien in hun eigen levensbehoud; Israëli’s en Palestijnen, in alle soorten en maten, die zich kunnen richten op een gezamenlijke toekomst.

Maar iedereen die dit rooskleurige toekomstbeeld onderschrijft, kan helaas maar tot één conclusie komen: erkenning van de Palestijnse staat, in de huidige context, is een heel slecht idee. Hoewel politieke steun voor een twee-statenoplossing, waar een Palestijnse staat uiteraard deel van uitmaakt, absoluut te prijzen valt, zal erkenning in het kader van de huidige status quo slechts leiden tot een anderhalvestaatoplossing, waarbij de Palestijnen de baas mogen spelen in een eilandenrijkje van losse steden, gelegen binnen een door Israël gedomineerd grondgebied. Geen controle over lucht- en zeeverkeer of over de eigen grenzen, geen zeggenschap over wat er al dan niet geïmporteerd en geëxporteerd mag worden, geen invloed op wie de landsgrenzen mag passeren – een karikatuur van een staat.

In de huidige situatie, waarin Israël absolute controle heeft over het doen en laten van de Palestijnen en de grenzen tussen en rondom de Palestijnse gebieden volledig beheerst, en door de historische ontwikkelingen die daartoe geleid hebben, is de Palestijnse Autoriteit – de interim-regering die sinds de Oslo-akkoorden van halverwege de jaren negentig de weg moest bereiden voor een permanente Palestijnse vertegenwoordiging – verworden tot een politiek gedrocht. Paradoxaal genoeg is de Palestijnse overheid tandeloos en machteloos ten opzichte van de grootste bedreiging van het eigen volk, wat natuurlijk de Israëlische bezettingsmacht is en de honderdduizenden kolonisten, en tegelijkertijd nogal autoritair ten opzichte van de eigen bevolking, zeker waar het politiek andersgezinden betreft. Een slechter uitgangspunt is nauwelijks denkbaar voor een “nieuwe” staat.

Maar het is niet vreemd dat deze situatie tot stand is gekomen, omdat het vrijwel onmogelijk is om een staat op te bouwen in de context van een vijandige bezetting, waarbij een heel volk talloze vrijheden ontnomen wordt en waar onderlinge verschillen uitgebuit en uitvergroot worden door een verdeel-en-heers-politiek.

Erkenning van zo’n staat als volwaardig lid van de internationale gemeenschap is weinig meer dan een symbolische daad – een formaliteit die niets aan de ongelijke machtsverhoudingen op de grond zal veranderen. Sterker nog, het zal die machtsverhoudingen alleen maar versterken, want ze zijn dan geformaliseerd.

Laat één ding wel duidelijk zijn: ik behoor niet tot die mensen die vinden dat de Palestijnen eerst hun steun voor Hamas moeten intrekken of hun verzet tegen de bezetting moeten staken, voordat ze erkenning “verdienen”. Zolang Israël zich namelijk laat gelden in de Bezette Gebieden, mag en kun je dit niet vragen van een volk. Bovendien, voor diegenen die geen Arabisch spreken, Hamas is een verzetsbeweging(!), dus als je als EU of VS dan per se af wilt van die beweging – en volgens mij is dat allerminst noodzakelijk – zorg er dan eerst voor dat de noodzaak voor verzet weggenomen wordt. Het is les één in het handboek voor zogenaamde ‘counter-insurgency’ strategieën: biedt een alternatief, neem de voedingsbodem voor verzet weg.

De eerste en belangrijkste stap die andere landen, waaronder Nederland, dus moeten zetten, is ervoor zorgen dat Israël de bezetting beëindigt. Diplomatieke druk, vergaande sancties, een VN-vredesmacht; de manier waarop doet er niet toe, als het land zich maar terugtrekt uit de bezette gebieden. Alleen dan kunnen Palestijnen, met hulp van de internationale gemeenschap, een staat opbouwen die het waard is te erkennen en die recht doet aan de dromen en ambities van de Palestijnse bevolking, en er tegelijkertijd voor zorgt dat het Israëlische volk de torenhoge morele, psychische en economische kosten van de bezetting niet meer hoeft te betalen. Het is de enige juist stap op dit moment, de enige stap die echt kan bijdragen aan een duurzame en rechtvaardige oplossing voor de netelige kwestie die het Israëlisch-Palestijns conflict is.

Het is tijd voor actie: dwing, eensgezind, samen met andere landen, Israël om eindelijk de onrechtmatige en onrechtvaardige bezetting van de Palestijnse Gebieden te beëindigen!

Martijn Dekker is docent Algemene Sociale Wetenschappen en geeft o.a. vakken over conflict, ongelijkheid, in- en uitsluiting en ontwikkeling. Hij is gepromoveerd op een onderzoek naar de manieren waarop Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever hun veiligheid organiseren.

 

Conflict Studies Blogs

Jordy Pama - Portret Jordy Pama – Vorige keer schreef ik in het ASW Journal over het voeren van een constructief gesprek over racisme, geïnspireerd op vele honderden commentaren die ik op Facebook, Twitter en nieuwssites heb gelezen rondom de Zwarte Pietkwestie. Sinds kort is er een nieuwe Facebookpagina toegevoegd aan het oeuvre “pro- en anti-Piet pagina’s.” Hoewel, deze pagina is niet anti-Piet, vooral anti zwarte Piet. Ze noemen zich “Pietmakeover.” Op deze pagina plaatsen bekende, minder bekende en onbekende Nederlanders een filmpje waarin ze uitleggen waarom Piet volgens hen aan een make-over toe is. De pagina is een goede poging om op een positieve manier op te roepen tot verandering. Helaas lijkt deze aanpak een nog grimmigere tegenreactie te ontlokken. Waar veel commentaren zich voorheen nog richtten op burgerschap—in de trant van, “ga dan maar terug naar je eigen land”—bevatten de nieuwe commentaren niets anders dan puur, onverhuld en schaamteloos racisme: “Pleur lekker op met je kut sharia en homofiele geiten neukende pleuris imam,” en “Zwarte Piet, wiedewiedewiet, deze heeft ebola dus die zie je niet.” Het moge duidelijk zijn, voor deze mensen is “een constructief gesprek” niet langer aan de orde.

Aan de schandpaal

Facebook is een open medium, waar mensen elkaar zonder al te veel moeite kunnen begluren. Zeker wanneer iemand zijn privacy-instellingen niet strikt beheert, ligt veel informatie al snel open en bloot. Zo ook met de mensen die deze extreme reacties plaatsen (hierna: racisten). Zonder al te veel moeite kun je het één en ander uitvinden over mensen. Geschrokken door de intensiteit van één van de berichten ging ook ik op onderzoek uit. Met een muisklik bevond ik me op de persoonlijke pagina van deze persoon en kwam ik tot de ontdekking dat deze persoon, die op Facebook openlijk vroeg om het uit de weg ruimen van een volledige bevolkingsgroep, docent is. Niet bij een basisschool, niet bij een universiteit, maar bij de politie van Rotterdam. Ik stond perplex.

De politie, een instituut dat onze veiligheid probeert te garanderen (waarvoor dank) heeft een racist als docent. De implicaties voor gelijkwaardige behandeling en objectiviteit lijken mij evident. Deze persoon hoort, net als vrouwe justitia, blind te zijn voor het uiterlijk van mensen. Deze meneer is dat zeker niet, en met hem zijn er nog vele anderen die zonder schaamte de meest vreselijke dingen zeggen over anderen. Deze mensen werken als journalist, of bij de Ziggo Dome, of bij de KPN. In het dagelijks leven zijn het nette burgers. Maar op Facebook worden ze nu aan de schandpaal genageld. De zoveelste pagina omtrent racisme: “Racisten aan de schandpaal.”

De racistische blik

Het valt mij zwaar om respect op te brengen voor mensen die zwaar racistische uitspraken doen, of dit nou op internet of in de privésfeer is. Er bekruipt mij een onbehaaglijk gevoel als ik me bedenk dat deze mensen dagelijks met mensen werken. Zij behoren anderen gelijkwaardig te behandelen, zoals iedereen dat behoort te doen, maar is dit mogelijk als hun daadwerkelijke mening, welke ze onverhuld op Facebook deponeren, van geen enkele vorm van respect blijk geeft? Is het dan nog mogelijk dat ze hun racistische visie niet in de praktijk brengen op hun werk? Volgens mij kan dit niet.

Volgens mij is een racistische visie op de samenleving geen keuze. Het is geen programma dat naar believen aan- of uitgezet kan worden. Een racistische visie op de wereld is een cognitieve frame, een verzameling van ingeprente ideeën; gevormd door een continue stroom van eveneens subjectieve informatie zijn deze mensen gaan geloven dat donkere mensen “apen uit de woestijn” zijn, dat moslims “hier te gast zijn en op uitkering teren” en dat de beste oplossing “een bom er op” is. Een kind wordt niet geboren met een racistische kijk op de wereld. Een kind groeit op in een bepaalde omgeving en het is deze omgeving die bepaalt hoe het kind in zijn of haar levensloop naar andere mensen kijkt. En uiteindelijk is dit wat zij op hun beurt weer meegeven aan anderen, bewust of onbewust. Tijdens een borreltje met vrienden, aan hun kinderen, aan hun buren en aan hun collega’s.

Een structureel probleem

De racistische visie van een individu wordt dus gevormd door zijn omgeving. Niet alleen de andere individuen in zijn of haar omgeving hebben een vormende werking, maar ook de instituties die onderdeel uitmaken van de cultuur en de maatschappij waarin het individu opgroeit. Het rechtssysteem, de universiteit, het kerstfeest en het sinterklaasfeest zijn onderdelen van die cultuur en vanaf het begin aanwezig in het leven van een individu. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de cultuur onderdeel wordt van het individu. Een aanval op deze cultuur voelt daarom ook als een directe aanval op de identiteit van het individu.

Met dit in mijn achterhoofd kan ik me voorstellen dat het voor velen een hele schok is dat Zwarte Piet onder vuur is komen te liggen. Cognitieve dissonantie is een nare ervaring omdat het niet fijn is om geconfronteerd te worden met feiten en opvattingen die je beeld van de realiteit flink op zijn grondvesten laten schudden. Dat racisme bestaat is voor velen wel te bevatten, maar dat de samenleving en cultuur waarin we leven racistische onderdelen kan bevatten maakt het een stuk zwaarder. Om dit te realiseren moet men immers ook toegeven dat men er onderdeel van uit maakt. Dit besef is waar vele Nederlanders mee worstelen. Dit is echter geen legitieme reden om te vervallen in drogredeneringen en racistische uitlatingen.

… en nu verder

Na een periode van de bovengenoemde cognitieve dissonantie is het tijd om te reflecteren. Als individu maar ook als samenleving zullen we kritisch moeten kijken naar de onderdelen van onze individuele en maatschappelijke aannamen en gewoonten die misschien niet zo onschuldig en vanzelfsprekend zijn als ze altijd leken. Dan zullen we tot de ontdekking komen dat burgerschap voor velen nog steeds synoniem is aan blank, dat moslims veel te vaak als religieuze fanatici gezien worden en zullen we ontdekken dat donkere jongens en meisjes meer hindernissen vinden op weg naar de hogeschool, de universiteit of naar hun droombaan. De sociale segregatie gaat dieper dan we denken, en ik ben daar zelf een goed voorbeeld van. Mijn donkere vrienden zijn op één hand te tellen. Mijn Moslimvrienden eveneens. En dat komt niet omdat ik ze niet wil ontmoeten, dat komt omdat mijn omgeving voornamelijk blank en atheïstisch is. De universiteit is hét voorbeeld van segregatie. De diversiteit van studenten aan de Universiteit van Amsterdam weerspiegelt op geen enkele manier de diversiteit van Nederland.

De sociale segregatie zal niet van de ene op de andere dag verdwijnen, maar ik ben er van overtuigd dat iedereen een bijdrage kan leveren, en wel door “de ander” uit de anonimiteit te halen. Generalisatie van “de ander” is alleen mogelijk als er afstand bestaat tussen “de één” en “de ander,” en dus moet deze afstand verkleind worden. In de politiek, in de media en tussen individuen moet de kloof tussen “de één” en “de ander” verkleind worden. Ieder individu heeft een verhaal, en als we elkaars verhalen leren kennen, kunnen we elkaar een klein beetje beter begrijpen. Op die manier heb ik de hoop dat de Nederlandse samenleving een samenleving kan worden waarin ieder individu beoordeeld wordt op zijn of haar talenten en capaciteiten in plaats van op religie, huidskleur of afkomst. En dat begint bij het afbreken van de schandpaal en het verlaten van het digitale slagveld. De kroeg, het koffietentje of het theehuis lijkt me een prima begin.

Conflict Studies Blogs

ChildrenToen ik nog een jonge puber was, en al vanaf de basisschool een groot fan van Queen, heb ik mijn cassettebandje met daarop het Live Aidconcert, dat in 1985 in Wembley werd georganiseerd, volledig grijs gedraaid. Nog steeds zijn de twintig minuten die Queen toen mocht spelen voor mij een muzikaal ijkpunt.

Live Aid volgde op een ander muzikaal hoogtepunt uit mijn jeugd: Band Aid; een collectief van de grootste artiesten van die tijd, die samen de monsterhit Do They Know It’s Christmas opnamen. Onder leiding van Bob Geldof, die afgezien van het schrijven van de hit ‘I Don’t Like Mondays’ verder weinig heeft gepresteerd, zongen artiesten als George Michael, Elton John, Bono, Sting, Phil Collins en Paul Young een prachtige melodie en ik zong de zinnen uit volle borst mee.

Vele jaren later, toen ik wat beter ging luisteren en ook de Engelse taal wat beter machtig was, begon het besef door te dringen dat er toch wel behoorlijk wat mis was met die zinnen, hoe mooi die melodie ook was. Tekstregels als “There’s a world outside your window and it’s a world of dread and fear” en “Here’s to you, raise a glass for everyone, here’s to them, underneath that burning sun” waren eigenlijk wel heel erg cliché. Maar er was wel meer mis.

Het komt erop neer dat ik toen nog niet besefte dat Live Aid en Band Aid eigenlijk symbool staan voor alles wat er fout gaat in de verhoudingen tussen Afrika en de Westerse landen. Er wordt een beeld geschetst en in stand gehouden van een machteloos Afrika, waar mensen alleen maar lijden, van kindjes met hongeroedeem en vliegjes rond de ogen, van eindeloze, lege vlakten waar de zon meedogenloos brandt en waar het leven, in de woorden van de Britse filosoof Thomas Hobbes, “naar, bruut en kort is”.

Hoewel er ontegenzeggelijk veel geleden wordt in Afrika en er nog steeds veel te veel mensen (en zeker ook kinderen!) doodgaan aan hongergerelateerde aandoeningen en te verhelpen ziekten, doet het beeld uit de hit van Band Aid geen recht aan de creativiteit, zelfredzaamheid, waardigheid en levenskracht van Afrika en de mensen die het hun thuis noemen. Het reduceert een ongelofelijke verscheidenheid aan landen en volkeren tot een enkele “Afrikaan” en bovendien tot een slachtoffer dat geholpen moet worden door ons, Westerlingen die hun zaakjes goed voor elkaar hebben.

Maar bovenal, en dat is met name ook een argument dat opgaat voor Live Aid, veronachtzaamt het volledig de (geo)politieke context waarbinnen dit alles plaatsvindt. Geen woord over de erfenis van het kolonialisme, uitbuiting, nog steeds bestaande handelsbelemmeringen en inmenging in interne politiek door steun aan autoritaire leiders; geen woord over de arbitrair door het Westen getrokken grenzen, over racisme, over opgelegd economisch beleid, over de door Westerse bedrijven geleverde wapens.

Afrika heeft vooral gerechtigheid nodig, veel meer dan geld dat door een stel naïeve, volgevreten muzikanten bijeen wordt gezongen. De naam Band Aid is, waarschijnlijk onbewust, zeer goed gekozen, want het is niets meer dan een pleister op den wonde en tegelijkertijd een pleister voor ons eigen geweten. Hoewel het zonder meer goed is om geld in te zamelen voor de bestrijding van Ebola, is het ook deze keer weer de politieke context die belangrijker is.

Natuurlijk kun je best stellen dat die context veel te ingewikkeld en genuanceerd is voor het grote publiek en dat deze popsterren simpelweg hun steentje willen bijdragen, hun populariteit gebruiken om iets goeds te doen. Dat is allemaal leuk en aardig en in wezen niet verkeerd, maar het is mij te simplistisch en te makkelijk.

In zijn boek “Violence” maakte de Sloveense filosoof Slavoj Žižek het onderscheid tussen subjectief en objectief geweld, waarbij het eerste de zichtbare uitingen van lijden en geweld betreft – waaronder hongersnood en terrorisme – en het tweede het onzichtbare geweld behelst, dat inherent is aan ons politieke systeem. Het is volgens Žižek dus nogal hypocriet om je zo druk te maken over hongerkindjes in Afrika en daarom geld te geven aan goede doelen, terwijl je niks doet om daadwerkelijk het systeem te veranderen.

Ik schrijf dit nu omdat net een nieuwe versie van Band Aid is aangekondigd, in het kader van het dertigjarig jubileum, waarvan de opbrengst naar het bestrijden van Ebola zou moeten gaan. Het nieuws ging vergezeld met de mededeling dat enkele tekstregels aangepast zouden worden, waaronder de regel “Well tonight thank God it’s them instead of you”. Maar in tegenstelling tot een meer waarheidsgetrouwe weergave van de situatie, waarin we onze politici (en hun illustere voorgangers) bedanken in plaats van een abstract goddelijk wezen, zingt Bono, die de oorspronkelijke regel zong, nu “well tonight we’re reaching out and touching you”. Misschien moet iemand Bono even uitleggen hoe Ebola zich ook alweer verspreidt.

De naïviteit van de betrokken popsterren is ook nu weer stuitend. In plaats van een leeg en loos gebaar van betrokkenheid, kan men beter de ongemakkelijke waarheid onder de aandacht brengen. Niks hapklare brokken en gemakzuchtig activisme, maar gewoon eens vertellen waar het op staat. Het globale systeem dat gebaseerd is op neoliberale waarden, waarbij markten zogenaamd vrij moeten zijn, maar waar landen die een achterstand hebben nooit kunnen opkrabbelen, en waar binnen landen vooral de graaiende elites profiteren, is onrechtvaardig. En in een globaal systeem waarbij “eigen volk eerst” nog steeds centraal staat, zal een land nooit écht het eigenbelang opzij zetten om onbaatzuchtig hulpbehoevende ‘anderen’ in andere landen te steunen.

Het is dit onrechtvaardige systeem dat in stand wordt gehouden door politici die wij hebben gekozen. Wij zijn dus allemaal medeverantwoordelijk voor veel onnodig lijden in de wereld en dat is niet eenvoudigweg af te kopen door met die ene euro een digitaal singletje te kopen. Besteed bij volgende verkiezingen bijvoorbeeld eens aandacht aan de paragrafen over ‘internationale betrekkingen’ en ‘ontwikkeling’ in het verkiezingsprogramma van je partij en bedenk dan of die ideeën iets kunnen bijdragen aan een écht betere wereld.

Is dat te ingewikkeld? Blijf dan vooral geloven dat je zelf niks kunt veranderen. En dank in de tussentijd, tijdens het luisteren naar je net gedownloade liedje, God op je blote knietjes dat je het zelf niet bent, maar dat het de naamloze hongerkindjes op het donkere continent zijn.

Martijn Dekker is docent Algemene Sociale Wetenschappen en geeft o.a. vakken over ongelijkheid, in- en uitsluiting en ontwikkeling.*

 

*Dit artikel is in verkorte vorm ook op de website van de Volkskrant gepubliceerd: http://bit.ly/11xW5ju

Conflict Studies Blogs

Robin Schram - PortretRobin Schram – In Guatemala Stad zeg je elkaar gedag met de woorden: “con cuidado, adios!” Con cuidado betekent ‘wees voorzichtig’, en die waarschuwing is er niet voor niets. Guatemala scoort hoog op die lijstjes waar je als land of stad liever niet hoog op scoort: hoge criminaliteitscijfers, hoog aantal moorden, een hoge corruptie-index, een hoge Gini-index, een hoog percentage ongeletterdheid, en ga zo nog maar even door. Guatemala staat in de wereldwijde top vijf van landen waar de meeste mensen vermoord worden (oorlogsslachtoffers niet meegerekend). Zo worden in Guatemala, een land met een kleine 15 miljoen inwoners, dagelijks gemiddeld zestien à zeventien mensen vermoord. Terwijl in Nederland gemiddeld eens in de twee dagen iemand wordt vermoord.

Maar dit soort cijfers geeft nog weinig inzicht in de historische en structurele oorzaken die hieraan ten grondslag liggen, laat staan over de beleving van mensen die in deze situatie (over)leven. De samenleving in Guatemala Stad heeft zich georganiseerd rondom angst, en de organisatie van die samenleving houdt op haar beurt deze angst in stand. Op deze manier is het in een neerwaartse spiraal verzeild geraakt. Hoe dit in zijn werk gaat laat zich goed beschrijven aan de hand van architectonische metaforen; alle constructies die zowel oorzaak zijn van, als voortkomen uit, ongelijkheid en angst.

De toren van Babylon

De toren van Babylon is in dit kleine land met 23 talen misschien wel de meest voor de hand liggende metafoor. Met Spaans als officiële nationale taal, wordt iedereen die het niet spreekt, of Spaans als tweede taal heeft, al snel als een tweederangs burger gezien. Om dit te benadrukken wordt een Maya taal door sommigen expliciet geen ‘taal’, maar een lengua – ‘tong’ – genoemd.

Deze opdeling en rangorde van talen illustreert de aanzienlijke horizontale (etnische) ongelijkheid in dit land, die grotendeels samenvalt met de verticale (economische) ongelijkheid. De Maya bevolking – de oorspronkelijke bevolking van het gebied – leeft hier na 500 jaar Westerse onderdrukking onder barre omstandigheden, maar blijft desalniettemin trots vasthouden aan haar talen en cultuur. Het diepgewortelde racisme jegens de Maya bevolking wordt nog eens bevestigd doordat in bepaalde kringen het interraciaal verwekken van kinderen wordt aangemoedigd met de woorden mejorar la raza – ‘het ras verbeteren’.

Interraciaal kinderen verwekken is echter niet de meest voor de hand liggende manier om de armoede te ontstijgen en meer respect te ontvangen. Het is makkelijker om met een vuurwapen een overval te plegen, en bij gebrek aan andere vormen van macht is dit de keuze die veel jongeren maken. Ze hebben immers weinig te verliezen en het levert ze wel degelijk geld en respect op.

Beton en bewakers: een angst-economie

De structurele ongelijkheid is dus deels de oorzaak van de grote hoeveelheid gewapende overvallen in dit land. Dit heeft zijn weerslag op de manier waarop de samenleving zich organiseert. Neem bijvoorbeeld de plek waar ik werk. In een straal van vijftig meter van mijn kantoor vind ik een winkel waar ik vuurwapens kan kopen, een aantal banken met elk een tiental private gewapende bewakers (daar zijn er in dit land vier keer meer van dan politieagenten) en een grote verzekeringsmaatschappij met in hetzelfde gebouw de mogelijkheid om kogelvrije vesten aan te schaffen en je auto volledig te laten blinderen of te laten bepantseren.

Robin Schram - Guatemala illustratie1

Figuur 1: De advertenties van een angsteconomie (Robin Schram)

Hieruit concludeer ik dat de economie hier niet alleen draaiende gehouden wordt door hebzucht, zoals gebruikelijk is, maar vooral ook door angst. Als ik mijn moraal aan de kant zou zetten en zou moeten kiezen waar ik mijn geld in zou beleggen, dan wordt dat in beton (voor het bouwen van muren), prikkeldraad, private beveiligingsbedrijven en vuurwapens. Dat is gegarandeerd een lucratieve investering, want voorlopig verwacht ik dat deze industrieën goed blijven gedijen bij de collectieve paranoia die in dit land heerst.

Het wrange van een economie die op angst draait, is dat bepaalde mensen profijt hebben van deze angst en dat deze mensen er dus gebaat bij zijn om die angst in stand te houden. Het journaal vertelt mensen hier elke avond wie er hoe en waar vermoord zijn, met heftige beelden en een soort James Bond muziekje op de achtergrond om de spanning op te bouwen. Vervolgens wordt het journaal onderbroken door reclamespotjes die je precies vertellen wat je allemaal moet aanschaffen en waar je je voor moet verzekeren om zorgeloos te kunnen leven in deze ‘gevaarlijke wereld’.

De Gouden Kooi

Want als je alles hebt, heb je alles te verliezen, en die kans is in Guatemala Stad iets groter dan elders. Iedereen die hier iets van waarde bezit is bang om het kwijt te raken. En wat doe je dan in een stad waar criminaliteit zo wijdverspreid is dat het oncontroleerbaar geworden is? Je sluit niet de criminelen op, maar jezelf. Guatemala Stad staat vol met ‘gated communities’. Oftewel, woonwijken met een grote muur en prikkeldraad er omheen. Als je iemand in zo’n gemeenschap bezoekt en je komt langs de slagbomen, de camera’s en de private beveiligers met grote vuurwapens, dan word je in sommige gevallen nog tot aan de voordeur geschaduwd door een motorrijder die controleert of je inderdaad een gewenste gast bent.

Robin Schram - Guatemala illustratie2

Figuur 2: Vergelijkbaar beeld uit de film ‘La Zona’ over angst binnen een ‘gated community’ in Mexico Stad

Het is een frappante gewaarwording dat de rijkere mensen in dit land het meest opgesloten zitten, terwijl het arme volk vrij rondloopt. Nou ja, in letterlijke zin dan. Want wat betekent vrijheid nog als je gevangen zit in armoede? Het tragische is dat ik hier vooral veel processen zie die de problematiek in dit land structureel versterken. Het bouwen van muren waar de rijkere mensen achter kunnen wonen is hier een goed voorbeeld van. De segregatie, stratificatie en sociale uitsluiting worden met de bouw van deze muren en andere fysieke barrières alleen maar bestendigd.

De Ivoren Toren

Het bijzondere aan een land waar je een rijke elite, een relatief kleine middenklasse, en een grote arme klasse hebt, is dat het voornamelijk bestuurd wordt (en bestudeerd wordt, door mij bijvoorbeeld) door mensen die geen idee hebben in wat voor werkelijkheid het grootste deel van de bevolking leeft. De bestuurders in Guatemala overzien het land vanuit een Ivoren Toren. Ik zou willen zeggen dat dit puur figuurlijk is, maar soms komt het wel heel dicht bij de werkelijkheid.

Ik ben een avond bij twee Franse ambassadeurs op bezoek geweest. Eén van deze heren woont met zijn vrouw op de veertiende verdieping van een (natuurlijk goed beveiligd) luxueus appartementencomplex, een soort ‘gated tower’. In dit huis vol met prachtige kunst drinken we Franse wijn en eten we toastjes met Europese kaas en vleeswaren. Vanaf het balkon hebben we een prachtig uitzicht over de stad met haar twinkelende lichtjes in de nacht, en we bespreken de sociale problematiek in Guatemala. Om beurten overtroeven we elkaar met nog betere oplossingen voor de criminaliteit, de mijnbouwconflicten, kindersterfte door ondervoeding etc. En dat terwijl we zelf op dit uur de straat niet op durven. Echt eens worden we het niet met elkaar over deze thema’s. Maar dat deert niet, want het avondeten is klaar en wordt opgediend, en in onze veilige toren kunnen we het gewoon weer over leuke reisjes en het WK hebben. Zouden we evenveel van deze Bourgondische avond kunnen genieten als wij niet alleen vanuit onze toren de stad konden bekijken, maar de stad ook ons zou kunnen zien?

Het Panopticum

Een Panopticum is een architectonische constructie die bedoeld is om mensen te controleren en te disciplineren. Meestal wordt het als een inrichting of een gevangenis gebruikt. Het gaat om een rond gebouw, denk aan een koepelgevangenis, met in het midden een toren die uitzicht geeft op alle cellen die in een cirkel om deze toren heen gebouwd zijn. Het idee is dat je in zo’n cel altijd gezien kan worden, maar dat je nooit weet of en wanneer je ook daadwerkelijk gezien wordt omdat je de bewaker op de toren niet kan zien vanuit de cellen. Deze permanente mogelijke controle maakt dat je bepaalde gewenste gedragingen op den duur internaliseert.

In Guatemala Stad hebben de meeste (kantoor)gebouwen spiegelende ramen en zijn auto’s volledig geblindeerd. Dat is het eerste wat je doet wanneer je hier een nieuwe auto koopt: de ramen blinderen. Dit verkleint de kans op een overval. Het zijn deze spiegelende ramen die me doen denken aan het Panopticum. Mensen kunnen mij wel zien, maar ik kan hen niet zien. Daardoor kan ik, wanneer ik over straat loop, altijd bekeken worden zonder dat ik zeker weet of dat ook werkelijk gebeurt. En ja, ik lijk bepaalde gedragingen te internaliseren. Ik peuter niet in mijn neus en krab niet aan mijn zak. Daarnaast heb ik een soort vastberaden loopje ontwikkeld waarmee ik probeer uit te stralen dat ik de stad goed ken en dat ik precies weet waar ik heen loop, ook als dit niet bepaald het geval is. Je weet immers nooit wie er naar je kijkt en welke intenties ze hebben.

Robin Schram - Guatemala illustratie3Figuur 3: Spiegelende ramen en geblindeerd glas (Robin Schram)

Dit is tot daar aan toe, maar er zit nog een schrijnendere dimensie aan dit verhaal. Het gaat in dit geval niet om een bewaker die gevangenen in de gaten houdt, maar over de rijkere klasse die vanachter hun spiegelende ramen in hun comfortabele kantoren en auto’s de armere klasse op straat ongegeneerd kan aanschouwen. Vanuit de BMW van een collega kijk ik schaamteloos lang naar de mensen op straat. Mensen die buiten fruit of kauwgom verkopen, dronken mannen die op de grond hun kater liggen uit te slapen, of een jong stel dat op een bankje zit te zoenen; ze kunnen mij toch niet zien kijken. Als een oud Maya-vrouwtje tussen de auto’s voor het stoplicht komt bedelen ziet ze alleen zichzelf in de spiegeling van de autoruiten. Het is eenvoudig om haar te negeren omdat we elkaar niet in de ogen kunnen kijken en omdat mijn onachtzaamheid dus onopgemerkt gaat.

Daarbij gaat het niet alleen over de rijkere klasse, maar ook over de heersende klasse. Zo ben ik bijvoorbeeld op bezoek geweest op het kantoor van de gouverneur van de provincie Chiquimula. Ook dit kantoor heeft geblindeerd glas en kijkt uit over de plaatselijke markt waar Maya-vrouwen hun groenten en fruit verkopen. Het is een ironische manier om uitdrukking te geven aan de ondoorzichtigheid van deze overheid. Met deze gouverneur hadden een collega en ik een afspraak. Nadat hij ons meer dan een uur had laten wachten had hij gedurende de pauze van de voedbalwedstrijd tussen Spanje en Chili precies tien minuten de tijd voor ons. Daarvan heeft hij zeker vijf minuten over voetbal gepraat, en daarna had hij toch écht weer andere verplichtingen. Zou hij ook met zijn voeten op zijn bureau voetbal kijken als hij aan de andere kant van het glas zat?

Een neerwaartse spiraal

Of het nu de regerende elite is die voetbal kijkt tijdens werktijd, of de rijkere elite die geld verdient aan angst; het wordt duidelijk dat de machtigste mensen in dit land weinig belang hebben bij het veranderen van de neerwaartse spiraal waar dit land zich in bevindt.

Robin Schram - Guatemala illustratie4

Ongelijkheid resulteert in geweld; het geweld creëert een angstige maatschappij; hierdoor ontstaat een industrie die draait op de behoefte aan veiligheid; deze industrie creëert fysieke en geografische structuren die de ongelijkheid bestendigen; en op deze manier wordt de ongelijkheid in Guatemala zowel de oorzaak als een gevolg van geweld en angst. Wie de oplossing heeft mag zich melden in Guatemala, maar pas op, zorg wel dat je goed verzekerd bent. Ik kan iedereen de molestverzekering van ‘Oomverzekeringen.nl’ van harte aanbevelen!

Robin Schram Guatemala - Illustratie4 (Andrew Singer)

Figuur 4: De aangeschafte ‘vrijheid’ van de rijke klasse (Andrew Singer)

Robin Schram is Afgestudeerd bij ASW in het Domein Conflictstudies. Momenteel is hij masterstudent bij de studie ‘Conflicts, Territories and Identities’ aan de Radboud Universiteit. Voor zijn scriptieonderzoek naar dialoogprocessen bij mijnbouwconflicten loopt hij een half jaar stage bij het NIMD in Guatemala Stad.

 

 

Conflict Studies Blogs

JihadMartijn Dekker – Dom. Naïef. Labiel. Zomaar wat woorden die zogenaamde experts in de mond nemen om de geestesgesteldheid van jonge ‘jihadisten’ die naar Syrië vertrekken, te omschrijven. Niet dat deze experts zelf ook maar een woord met de jongeren in kwestie hebben gesproken, maar dat is voor dit soort psychologie van de koude grond gelukkig allerminst nodig.

Politici van diverse partijen en leden van het kabinet spreken vooral van het gevaar dat eventueel terugkerende jihadisten vormen voor de Nederlandse samenleving. Radicalisering! Terrorisme! Aanslagen! De camera’s draaien, de presentatoren smullen en het publiek kan zich genoegzaam opwinden en bang laten maken. De vraag is echter waarom de motieven van de jongeren in kwestie niet serieus worden genomen. Waarom de redenen voor hun vertrek naar een oorlogsgebied – wat toch van lef getuigt – niet op zijn minst een beetje op waarde worden geschat. Want als je de motieven niet goed kent en de jongeren in kwestie slechts als gek of gevaarlijk bestempelt, of ze hun paspoort afpakt om te voorkomen dat ze überhaupt afreizen, sluit je dan niet de weg naar een duurzame en inclusieve oplossing af?

In maart van dit jaar, toen Pauw het nog met Witteman deed, was jongerenimam Yassin Elforkani op bezoek, en sprak hij wijze woorden door zijn zorgen te uiten en erop te wijzen dat jongeren de consequenties van een reis naar Syrië veelal niet kunnen overzien. Jesse Klaver van GroenLinks was er echter al snel bij om de nuancering teniet te doen en de jongeren als ‘leip’ weg te zetten. Dat het ietwat ironisch was dat naast hem student Wijbe Abma zat, die al diverse keren alleen naar Syrië afreisde om daar hulpgoederen uit te delen, ontging Klaver volledig. Abma is een oer-Hollandse held en zijn motieven of geestesgesteldheid staan blijkbaar niet ter discussie. Hij wilde iets doen, kwam erachter dat hij ook iets kon doen, en ging gewoon.

Tegenhouden
Eerder op dezelfde avond in maart, in het EO-programma ‘De Vijfde Dag’, bleef presentator Tijs van den Brink zich maar afvragen waarom we destijds niks deden om die jongeren tegen te houden. De reden leek toen vrij eenvoudig: omdat het iedereen met een paspoort vrij staat om de wereld over te reizen en de meest bizarre dingen te doen; de K2 beklimmen, bungeejumpen, op survivaltocht in het Amazonegebied gaan of met een step proberen de Sahara te doorkruisen – het kan en mag allemaal.
Het interessante aan het fenomeen van de jihadisten is dat ze, in tegenstelling tot de hierboven genoemde voorbeelden, niet alleen hun eigen grenzen proberen te verleggen, maar vooral ook andere mensen willen helpen. De machteloosheid en het knagende gevoel dat je iets wilt doen, maar niet weet wat, zullen veel mensen bekend voorkomen. Na de oorlogsbulletins in bioscopen, de eerste tv-beelden uit Vietnam en enkele decennia later de beelden van inslaande raketten tijdens de eerste Golfoorlog, leven we nu in een tijd waarin we door globalisering en geavanceerde technologie in staat zijn om precies te zien hoe gruwelijk de gevolgen van een oorlog zijn. Je hoeft slechts journalist Harald Doornbos op Twitter te volgen om met regelmaat de confronterende, dagelijkse tussenstand van het aantal Syrische slachtoffers mee te krijgen.

In maart van dit jaar leek de strijd in Syrië nog een ver-van-ons-bed-show. Maar tijdens de hete zomer van 2014 lijkt er het een en ander veranderd te zijn. Want naar het schijnt, zijn we anders gaan denken over de relatie tussen vrijheid en veiligheid. Althans, over de vrijheid van anderen en hoe zich die verhoudt tot de veiligheid van onszelf. Het leidt tot gevoelens van ongemak en angst, maar vooral ook tot lastige vragen.

Kort geleden zijn de paspoorten van potentiële jihadisten ingenomen, om te voorkomen dat ze afreizen naar Irak of Syrië en met IS of de Syrische oppositie mee gaan vechten. Aangemoedigd door bijvoorbeeld Sybrand Buma van het CDA, die hier eerder in de Volkskrant nog voor pleitte, heeft het kabinet besloten om preventieve daadkracht te tonen. Het lastige aan deze kwestie is dat het welhaast veronderstelt dat we van doen hebben met een ‘gedachtenpolitie’. Het gaat namelijk om ‘intenties’ en wie kan die ondubbelzinnig en bewijsbaar vaststellen? En als je ze eenmaal hebt vastgesteld, hoe ga je ze dan strafbaar stellen en welke straf ga je er, naast het uitreisverbod, aan verbinden?

Het zijn inderdaad lastige vragen. Nog afgezien van de juridische haken en ogen, en onze in de grondwet verankerde basisrechten, is er een morele dimensie die we niet uit het oog moeten verliezen. Kunnen en willen we in Nederland mensen gaan vervolgen omdat ze er bepaalde ideeën op nahouden? En, zo ja, welke neutrale instantie gaan we daar dan verantwoordelijk voor maken en welke methoden mag deze gebruiken?

In discussies over de bevoegdheden van de opsporingsdiensten is een veel gehoord argument “Ik heb niks te verbergen”. Het klinkt logisch, en ook ik bedien me er wel eens van, maar het is een te eenvoudige voorstelling van zaken. Want als we praten over intenties, gedachten, plannen en andere niet verwezenlijkte ideeën, dan is de kans op arbitraire, gerechtelijke dwalingen heel erg groot. Ik moet meteen denken aan het verhaal van het Amerikaanse echtpaar dat de FBI op bezoek kreeg, nadat de man en vrouw, daags na de aanslag bij de marathon van Boston, los van elkaar, hadden gezocht naar een snelkookpan en een rugtas – de artikelen die waren gebruikt bij de bomaanslag. Big Brother is watching you…

De angst regeert. En hoewel ik zelf denk dat de dreiging van zogenaamde ‘terugkerende Jihadstrijders’ schromelijk overdreven wordt, is de vrees ervoor wel enigszins begrijpelijk. Het betreft jongeren die er hele andere ideeën op na houden over hoe we als mensen met elkaar samenleven. En iedereen die van dichtbij een gewapend conflict heeft meegemaakt, weet hoezeer je mentale gezondheid er negatief door beïnvloed wordt. Het is, eufemistisch gezegd, een verre van ideale combinatie.

Maar iedereen die onze verworven vrijheden op prijs stelt – ik zou hier met name bijval van de heren en dames van bijvoorbeeld GeenStijl verwachten – zou niet het gevaar van de potentiële of terugkerende Syriëgangers moeten vrezen, maar eerder de gevaren die uitgaan van de manieren waarop de overheid daarmee omgaat. Door zowel de jongeren met intenties om af te reizen naar Syrië of elders, diegenen die sympathieën hebben voor buitenlandse strijders, of zij die als zodanig terugkeren, meteen als criminelen of (potentiële) terroristen te behandelen, gaat men contraproductief te werk. Het lijkt bijna alsof Opstelten en Buma cum suis op een zichzelf waarmakende voorspelling hopen, waarbij het radicaliseringsproces nog wat verder op gang geholpen wordt. Maar het belangrijkste argument tegen het (verder) optuigen van een Nederlandse ‘politiestaat’ is dat het bestraffen van het hebben van intenties en ideeën niet strookt met onze Nederlandse normen en waarden. Het is onrechtvaardig en druist in tegen onze Nederlandse rechtsstaat. En het is mijns inziens een enge ontwikkeling die weinig goeds doet vermoeden voor de toekomst van de vrijheid in Nederland

Weinig doen
In George Orwells 1984 zei O’Brien, een medewerker van het Ministerie van Waarheid, het treffend: ‘Wil je een beeld van de toekomst? Stel je een laars voor die stampt op een menselijk gezicht – voor altijd.’ Wie had kunnen denken dat die gelaarsde voet aan Ivo Opstelten zou toebehoren? In een democratische rechtsstaat als Nederland past zo’n gelaarsde voet niet; een uitgestoken hand zou beter zijn. En, in aanvulling daarop, een luisterend oor. Want hoewel we er ons dus steeds beter bewust van zijn hoe vreselijk de gevolgen van oorlog zijn, lijken we ons niet te kunnen verplaatsen in de wensen en ambities van een groep jongere Nederlanders, met name Moslims, en wordt er nauwelijks nagedacht over de beschikbare beleidsinstrumenten.

Wij, het publiek, zien de beelden en lezen de huiveringwekkende verhalen die correspondenten optekenen in vluchtelingenkampen of in de belegerde wijken en dorpen zelf. Maar naast geld geven, kunnen we weinig doen. En onze gekozen vertegenwoordigers, die wel mogelijkheden tot hun beschikking hebben, besloten pas tot inzet van militaire middelen na de twijfelachtige vaststelling dat onze eigen veiligheid in het geding was gekomen, wat betekent dat onze jongens en meiden eigenlijk niet worden ingezet om de veiligheid voor de belegerde Syriërs en Irakezen te verbeteren.

Dat kunnen we om geopolitieke redenen misschien nog wel verklaren, maar kunnen we niet net zo goed proberen begrip op te brengen voor het heftige verlangen van jongeren om de mensen te helpen met wie ze zich, omwille van een religieus geïnspireerd gevoel van medemenselijkheid, verwant voelen?

Het moge duidelijk zijn dat het een slechte zaak is dat ongetrainde jongens afreizen naar Syrië om daar in levensgevaarlijke situaties terecht te komen. Waar mogelijk moeten we daarom inderdaad deze jongeren tegen zichzelf in bescherming nemen. Maar dat bereik je het beste door ze op zijn minst serieus te nemen en niet weg te zetten als domme naïevelingen. En al helemaal niet door ze als potentieel gevaar of terrorist te brandmerken en hun paspoort af te pakken.

Nee, probeer bijvoorbeeld om de ongeleide woede over het onrecht en bloedvergieten in Syrië in te zetten om particuliere hulpprojecten, al dan niet religieus geïnspireerd, op touw te zetten of te ondersteunen. Niet alleen hier, maar vooral in Syrië zelf. De vraag of er in de toekomst ook grondtroepen naar het gebied gestuurd moeten worden, laat ik voor nu even onbeantwoord, maar qua hulpverlening zijn er sowieso ‘boots on the ground’ nodig. Veel meer dan ‘boots stamping on a human face’.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs

Jordy Pama - PortretJordy Pama – In juni van dit jaar zette ik een punt achter mijn Bachelor-opleiding ASW. Geïnspireerd door de grote commotie die onlangs was ontstaan rondom de figuur Zwarte Piet schreef ik mijn afstudeerscriptie over de vormen van racisme en hun uitingsvormen in de Nederlandse samenleving die de Zwarte Pietkwestie had blootgelegd.

Ook na het afronden van mijn scriptie bleef ik geïnteresseerd in het Zwarte Pietendebat, door RTL-nieuws zelfs gedoopt tot “Zwarte Piet Gate.” Wat opvalt in de discussie rondom de figuur is de hoeveelheid drogredeneringen die gehanteerd wordt door zowel voor- als tegenstanders van Piet. Een kort overzicht is op zijn plaats. Per drogreden zal ik proberen uit te leggen waarom dit een drogredenering is.

  1. De binaire verdeling

“Ik ben geen racist!” is een veelgehoorde kreet. Zo ook: “Kinderen zijn geen racisten!” In de basis is dit waar: haast niemand zal claimen een racist te zijn als hier naar gevraagd wordt. De drogredenering welke schuilgaat achter deze kreten wordt de binaire verdeling genoemd. Mensen die deze redenering aanhouden nemen aan dat iemand of racist is, of niet. Echter, het is veel zinvoller racisme te beschouwen op een schaal van ‘niet racistisch’ tot ‘zeer racistisch’. Door bij jezelf te rade te gaan wanneer jij mogelijk racistisch handelt betrek je ook onbewust racistische handelingen in je reflectie, en kun je een beter beeld vormen van je eigen positie op de schaal. Je kunt jezelf betrappen op racistische neigingen en hier actief iets mee doen. Kortom: je bent geen racist, maar je hebt mogelijkerwijs wel racistische neigingen.

  1. De ahistorische redenering

De ahistorische redenering is een redenering waarbij iemand de invloed van historische gebeurtenissen bagatelliseert. Hierbij gaat het om historische gebeurtenissen als gedwongen segregatie, oorlog, kolonialisme en slavernij,. Zo zijn tot op de dag van vandaag bijvoorbeeld de herinneringen aan de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog zichtbaar aanwezig in onze samenleving. Denk hierbij aan gedenkstenen, monumenten, herdenkingen en objecten/tentoonstellingen in musea. Mogelijkerwijs zorgt de afwezigheid van historische relikwieën uit de periode van de slavernij voor een minder groot besef van de impact van deze periode op de Nederlandse samenleving, ook al doen bijvoorbeeld de schilderingen op de Gouden Koets en opmerkingen over onze zogenaamde VOC-mentaliteit sommigen hier op licht ongemakkelijke wijze aan herinneren.

  1. De onbeweeglijkheidsredenering

De onbeweeglijkheidsredenering gaat over de verschillende vormen van racisme. De eerste associatie met racisme is veelal een beeld van white power-logo’s, skinheads en slavenarbeid op plantages. Het is dan ook verleidelijk om te beargumenteren dat racisme niet meer voorkomt in de Nederlandse samenleving. Echter, racisme is geen statisch fenomeen. De directe in your face uiting van racisme heeft plaats gemaakt voor subtielere, onbewuste en soms institutionele vormen van racisme. Zelfs als een persoon volstrekt niet racistisch is, kan het zijn dat hij of zij functioneert in een systeem dat racistische trekjes heeft zonder deze racistische tendensen zo te zien.

  1. De zwart-wit verdeling

Deze drogreden kenmerkt zich door het geloof dat alle donkere personen in een racisme-debat per definitie een andere mening hebben dan blanke personen in hetzelfde debat. Dit lijkt een open deur maar in het Zwarte Pieten debat komt het maar al te vaak voor dat er wordt aangenomen dat een donkere persoon automatisch tegen Zwarte Piet is, en een blanke persoon altijd vóór Zwarte Piet zou zijn. In het verlengde van deze drogredenering ligt de volgende drogredenering.

  1. De huidskleur/burgerschap-redenering

 De huidskleur/burgerschap-redenering is de eenvoudigst weerlegbare drogredenering. De redenering komt uitermate vaak voor in de discussie rondom Zwarte Piet. Mensen die vanuit deze aanname redeneren, doen vaak de volgende uitspraak: “Als deze cultuur je niet bevalt, dan rot je maar lekker op naar het land waar je vandaan komt”. Hierbij wordt vaak over het hoofd gezien dat huidskleur niets zegt over burgerschap. Een donker persoon kan evengoed Nederlander zijn als een blank persoon. Deze gedachtegang voelt als een open deur, maar wordt onbewust over het hoofd gezien. De aanname dat een donkere persoon geen Nederlander kan zijn en dus geen mening mag hebben over de Nederlandse cultuur is bovendien in zichzelf een racistische uitspraak: er wordt hiërarchisch onderscheid gemaakt tussen mensen op basis van huidskleur.

De discussie rondom Zwarte Piet kan gerust complex genoemd worden. Omdat de kwestie raakt aan de vraag wat onderdeel is van de Nederlandse culturele identiteit wordt het debat al snel emotioneel. Dit hoeft geen probleem te zijn, identiteit en racisme zijn emotioneel geladen begrippen en mogen ook zo besproken worden. Echter, de drogredenen zoals hierboven besproken verdienen geen plek in het debat. Sterker nog, ze vormen een obstructie voor het voeren van een goede discussie. Immers, een degelijk en constructief debat over racisme kan en mag niet gevoerd worden met racistische argumenten.

Maar hoe kunnen we dit debat wel op een constructieve manier voeren? Zoals gezegd hoeft het geen probleem te zijn dat het Zwarte Pietendebat een emotioneel beladen discussie is. Een voorwaarde moet dan wel zijn dat de verschillende gevoelens en belevenissen gelijkwaardig behandeld worden. In het geval van Zwarte Piet betekent dat: ook al denk jij dat Zwarte Piet geen racistisch stereotype is, accepteer dat mensen dit wel zo ervaren. En vice versa geldt: als jij van mening bent dat Zwarte Piet een racistisch stereotype is, accepteer dat mensen dit niet zo ervaren. Met andere woorden: accepteer het feit dat verschillende mensen verschillende belevingswerelden hebben. Als deze acceptatie er is, kan het debat op het scherpst van de snede gevoerd worden zonder te vervallen in drogredeneringen.

Jordy Pama is onlangs afgestudeerd bij ASW in het Domein Conflict en doet momenteel de Master Cultuursociologie aan de UvA.

Conflict Studies Blogs

14161983123_4c2e28cd4e_qMartijn Dekker – Onlangs verzandde ik in een online discussie met enkele ‘Facebookvrienden’ over racisme en vooroordelen. Nadat ik had bekend dat ik, ondanks mijn links-liberale, progressieve inslag, stiekem best wel van politiek-incorrecte grapjes houd, waren de reacties niet mals.

Misschien was ik iets te oprecht. Zo maak ik graag grapjes over Joden, Moslims, Christenen, Marokkanen, Belgen, Nederlanders, negers, blanken, rechtse en linkse mensen, socialisten, fascisten, milieufanaten, feministen, VVD-ers, PVV-ers, GroenLinksers, homo’s, lesbiennes, mannen, vrouwen en kinderen. En ja, in navolging van Gordon in Holland’s Got Talent, ook over Chinezen.

Nadat een van de deelnemers aan de discussie had vastgesteld dat ik dus gewoon een racist ben, ging ik bij mijzelf te rade. Ben ik inderdaad racistisch?

Enerzijds moest ik bekennen dat ik als heteroseksuele (of beter: metroseksuele) hoogopgeleide, middenklasse-, blanke man makkelijk praten heb. Goed, in Haarlem opgroeien als Feyenoordsupporter heeft me geleerd hoe het is om tot een minderheid te behoren – met alle beledigingen, pesterijen en klappen die daar soms bijhoren – maar met structurele discriminatie, uitsluiting of achterstelling heb ik eenvoudigweg geen ervaring.

Toen ik daar nog wat dieper over nadacht, kwam ik tot de conclusie dat ik misschien juist daarom ook nauwelijks een probleem heb met grappen ten koste van mijzelf. En dat ik mijzelf daarom ook allerminst spaar; zelfspot is mij niet vreemd. Omdat ik in het dagelijks leven verder geen effecten van discriminatie of uitsluiting ervaar, raken grappen niet aan de kern van mijn wezen. Maar voor bijvoorbeeld mensen met een donkere huidskleur, die in Nederland in het dagelijks leven wel discriminatie en racisme ervaren, is dat een heel ander verhaal. Vandaar ook de ophef over Zwarte Piet.

En dat jongens van wie de ouders of grootouders in Marokko zijn geboren wat minder kunnen lachen over Marokkanengrappen, dat is bepaald niet vreemd. Als je dagelijks in verband wordt gebracht met overlast, criminaliteit en overlast, dan roept een lollig bedoelde opmerking heel wat meer negatieve emoties op. Als die opmerking überhaupt al ‘lollig’ bedoeld is.

Anderzijds zijn er diverse onderzoeken die uitwijzen dat het hebben van vooroordelen ten opzichte van andere mensen simpelweg onderdeel is van de ‘menselijke natuur’. Het is als het ware voorgeprogrammeerd in het menselijk brein. Hoewel ik weinig op heb met biologisch-deterministische verklaringen voor menselijk gedrag, waar iemand als Dick Swaab in grossiert, ben ik geneigd te geloven dat hier wel een kern van waarheid in zit. Categoriseren en snelle conclusies trekken op basis van oppervlakkige observaties zijn handig gereedschap in het dagelijks leven.

In vroeger tijden was het van vitaal belang dat je op basis van iemands uiterlijk snel kon bepalen of hij of zij tot een andere stam behoorde en daardoor levensgevaarlijk kon zijn. Natuurlijk spelen dergelijke overwegingen in onze moderne samenleving nauwelijks meer een rol, maar om een triviaal (en ietwat discriminerend) voorbeeld te noemen: als ik bij de bakker sta te wachten en ik zie een oudere vrouw binnenkomen, dan let ik extra goed op mijn beurt, want het is mij meer dan eens overkomen dat zo iemand voordringt. En iedereen gelooft in dat geval dat niet de jongere, maar de oudere persoon de waarheid vertelt over de volgorde van binnenkomst.

In dit voorbeeld betreft het een vooroordeel over aan leeftijd gekoppeld gedrag, maar er zijn talloze andere voorbeelden te bedenken. En vaak zijn ze helemaal niet terecht, maar slechts gebaseerd op eerdere ervaringen of, in veel gevallen, op alles wat tot ons komt via de media. Als antropoloog ben ik mij uiteraard bewust van het feit dat de verschillen tussen mensen sociaal geconstrueerd zijn en veel minder groot dan sommigen denken. En ook ben ik me uiteraard volledig bewust van de nog steeds veel voorkomende discriminatie, uitsluiting, vooroordelen en de gevoeligheden die daarbij horen. Maar, ondanks enkele wetenschappers die het tegendeel beweren, staat spelen met vooroordelen niet los van werkelijke discriminatie? Zijn grappen of losse opmerkingen echt per definitie een uiting van dieper liggende racistische overtuigingen?

Mensen kunnen denigrerende opmerkingen uiteraard interpreteren zijnde racistisch, maar dat zegt nog niets over de intenties. Met andere woorden, hebben we soms niet eerder te maken met overgevoeligheid dan met racisme, zeker in het geval van politiek-correct ‘goed volk’ dat het opneemt voor de ‘minder bedeelde medemens’? Ik heb de mening van de betreffende, Chinese Holland’s Got Talentkandidaat nog niet gehoord, om maar een voorbeeld te noemen.

Ik ben een groot voorstander van de vrijheid van meningsuiting, maar ik behoor niet tot die groep mensen die vinden dat je dan ook maar alles moet zeggen. Er is een groot verschil tussen alles mogen zeggen en ook alles daadwerkelijk zeggen. In de online discussie wierp ik daarom op dat je je altijd bewust moet zijn van de omgeving en context waarin je je grappen maakt. Maar zo terugkijkend, besef ik dat ook hier een verkeerde draai aan gegeven kan worden. Want ik wil hier allerminst mee beweren dat je je denigrerende opmerkingen stiekem alleen in de privésfeer moet maken.

Dat raakt namelijk aan het beroemde onderscheid tussen front- en backstageretoriek dat wordt gebruikt om, bijvoorbeeld, de verschillen aan te geven tussen wat extreme politici in het openbaar zeggen en, zich in een veilige omgeving wanend, tegen hun meest fanatieke aanhangers. Dit onderscheid komt bijvoorbeeld ook terug bij de analyses van de toespraken van imams, die in de moskee, in het Arabisch, toch iets anders blijken te zeggen dan in het openbaar, in het Nederlands.

Nee, ik vind dat politiek-incorrecte grapjes in principe ook in het openbaar gemaakt moeten kunnen worden. Ik weet dat ik hiermee heel veel mensen tegen de schenen schop, en een aanzienlijk deel van de politiek-correcte goegemeente in Nederland van mij vervreemd, maar ik moest stiekem best lachen om de opmerkingen van Gordon in Holland’s Got Talent. (Het was in ieder geval grappiger dan de opmerkingen over homo’s van Van der Gijp in Voetbal International, want die heb ik veel beter in vorm gezien qua humor.)
Wat Gordon feilloos liet zien, is dat het niet alleen grappig kan zijn om met bestaande vooroordelen te spelen, maar dat juist de critici vooroordelen ook geïnternaliseerd hebben. Of je je nu ergert aan de vraag of de van oorsprong Chinese kandidaat ‘nummer 39 met rijst’ gaat zingen of dat je erom moet lachen, je weet in beide gevallen precies wat er bedoeld wordt. Mijns inziens veronderstelt dit dat het spelen met dergelijke vooroordelen dus niet betekent dat je automatisch een racist bent. Je bent je in beide gevallen vooral bewust van het bestaan van dit soort vooroordelen. Zonder dat ik het Gordon heb gevraagd, durf ik zelfs wel te beweren dat het in dit geval, op een meta-niveau, best wel zou kunnen gaan om het belachelijk maken van de vooroordelen zelf en niet van de mensen waar die vooroordelen over gaan.

Natuurlijk vind ik racisme verachtelijk, zeker in geïnstitutionaliseerde vorm, maar laten we ook niet Roomser dan de Paus zijn. Vooroordelen zijn niet alleen nuttig om op een efficiënte manier met de wereld om ons heen om te gaan, maar ze kunnen ook bevrijdend werken. Door vooroordelen op een grappige manier aan de kaak te stellen, kun je ze ook van hun scherpe randjes ontdoen. Het is een kwalijke zaak als vooroordelen daadwerkelijk negatieve effecten op het leven (en het beleven ervan) van mensen hebben en dan moeten we dat zeker ter discussie stellen en proberen er iets aan te doen. Maar spélen met vooroordelen hoeft zeker niet direct aan racisme gekoppeld te zijn. Sterker nog, politiek-incorrecte humor is vaak best grappig.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs