image description

ASW Journal

Theses from Interdisciplinary Social Sciences (ASW)

Archive for the ‘ASW core courses’ Category

Milio van de Kamp

In 2010 beschreef Mick Matthys in zijn werk ‘Doorzetters’ de ervaringen van universitair geschoolde individuen die uit een laagopgeleid milieu kwamen. Zij waren de eerste generatie studenten in de familie en het boek geeft prachtig weer hoe ze balanceerden tussen twee werelden, de wereld thuis en de wereld op de universiteit. Toen ik met dit boek in aanraking kwam, viel er een enorme last van mijn schouders; ik was niet de enige. Ook ik kom namelijk uit een laagopgeleid gezin. Mijn vader en moeder hebben beide de middelbare school niet afgemaakt en ik ben inmiddels tweedejaars student aan de Universiteit van Amsterdam. Gezien mijn kenmerken ben ik aanzienlijk gestegen in sociale status, ik val nu onder de categorie ‘hoog opgeleid’ en daar horen bepaalde verwachtingen, normen en waarden bij.

Enerzijds is het mooi dat ik in een samenleving leef waarin het mogelijk is om de maatschappelijke ladder te bestijgen, anderzijds zorgt het voor ontzettend veel verwarring en, zoals Goffman (1959/2012) zo prachtig beschreef, ‘impression management’. Met impression management doelde Goffman op het idee dat mensen constant de beste versie van zichzelf willen laten zien binnen een bepaalde situatie. Hier begon dan ook mijn probleem. Op de universiteit wordt verwacht dat je leergierig bent, kritisch bent, vragen stelt en een zekere passie hebt voor wetenschap. Bij mijn ouders thuis wordt precies het tegenovergestelde verwacht. Je moet geen wijsneus zijn en vooral niet doen alsof je alles weet. Deze tweesplitsing bleek in het begin erg lastig. Als een soort acteur moest ik twee verschillende rollen inzetten om in beide werelden te kunnen manoeuvreren. Vragen stellen en nieuwsgierig durven zijn was nieuw voor mij. Gesprekken voeren over politiek, het milieu en grote denkers was ook volledig nieuw voor mij. Echter voelde ik me op intellectueel gebied eindelijk thuis op de universiteit. Er zijn mensen die dezelfde interesse voor de wetenschap delen en met wie ik open gesprekken kan voeren over allerlei onderwerpen. Op sociaal gebied had ik echter gigantische aansluitingsproblemen. Ik sprak geen accentloos of ABN Nederlands, kwam niet van het VWO of Gymnasium en had een compleet andere achtergrond dan het grootste deel van de studenten. Het voelde alsof ik op geen enkel vlak kon relateren aan mijn medestudenten. Eén van de mogelijke oorzaken van mijn ervaring leerde ik van Bourdieu. Hij schreef in navolging van Weber over het bezitten van verschillende soorten kapitaal. Geen kapitaal in de alledaagse betekenis van kapitaal, geld, maar over cultureel kapitaal.

Met cultureel kapitaal doelt Bourdieu (1986) op zekere elementen die een bepaalde groep in de samenleving deelt. Het gaat om lifestyle, taalvaardigheid, muzieksmaak, beoefende sport, et cetera. Een combinatie van kapitaal die ik zelf niet bezat. Het gebrek aan cultureel kapitaal maakte dat ik moeilijk aansluiting kon vinden binnen de universiteit. Ik kon niet meepraten over dezelfde ervaringen, bekeek niet dezelfde televisieprogramma’s, luisterde niet dezelfde muziek en beoefen een sport die veelal als gevaarlijk en barbaars wordt ervaren. Dit zorgde voor een zekere ongelijkheid. Het leven op de universiteit is immers gebouwd rondom het cultureel kapitaal dat ik niet had waardoor ik vanaf het begin een achterstand voelde.

Naast cultureel kapitaal heeft Bourdieu ook andere soorten kapitaal gedefinieerd, één daarvan was sociaal kapitaal (Bourdieu, 1986). Sociaal kapitaal betekent de mate waarin mensen deel uitmaken van netwerken en daarbinnen relaties onderhouden, kortom: het sociale netwerk dat een individu heeft. Dankzij het gebrek aan cultureel kapitaal ondervond ik ook een gebrek aan sociaal kapitaal. De eerdergenoemde aansluitingsproblemen zijn hier een goed voorbeeld van. Nu is het met mij persoonlijk (gelukkig) goed afgelopen, langzaamaan heb ik de achterstand in sociaal- en cultureel kapitaal verkleind en ben ik een expert geworden in het balanceren in twee werelden. Mijn impression management is vlijmscherp en ik kan zonder veel moeite wisselen tussen de verschillende rollen in mijn dagelijks leven.

Bourdieu legt echter wel een belangrijk probleem bloot. In Nederland (en elders in westerse landen) prijzen wij de meritocratische invulling van de samenleving. Mensen hebben de mogelijkheid te bereiken wat ze willen, mits ze hier hard genoeg voor werken. Hierdoor ontstaat er echter ongelijkheid op nieuwe plekken. Het is van belang dat men inziet dat sociale mobiliteit veelzijdig is en niet alleen maar voordelen kent, maar ook uitdagingen. Mensen die de maatschappelijke ladder beklimmen ondervinden niet alleen succes maar ook twijfel en onzekerheid als gevolg van het gebrek aan sociaal- en cultureel kapitaal. Als maatschappij dienen wij er alles aan te doen om deze twijfel en onzekerheid weg te nemen. Men dient zich bewust te worden van de positie waarin zij zitten en vanuit de dominante groep dient begrip en aandacht te komen. Het is geen eenzijdig proces van aanpassing, maar een relatie. Een relatie die gigantische voordelen kan bieden mits ze van twee zijden worden erkend.

(Blog geschreven voor Visies op Sociale Ongelijkheid)

Bronnen:

Bourdieu, P. (1986). The Forms of Capital. Opgehaald op 9 februari 2017 van: http://www.arlt-lectures.com/bourdieu.pdf

Goffman, E. (1959/2012). The Presentation of Self in Everyday Life. In: C. Calhoun et al. (3rd ed.),  Contemporary Sociological Theory (pp. 46-61). Chichester: Blackwell.

Matthys, M. (2010). Doorzetters. Amsterdam: Uitgeverij AKSANT. Opgehaald op 9 februari 2017 van: http://dspace.library.uu.nl:8080/handle/1874/42701

Afbeelding: Een poster uit de UvA Master campagne

ASW core courses

Caroline-Buchanan1Selma Rijnsburger

Als vrouwelijke semitopsporter werd ik me al snel bewust van sekseongelijkheid. Als meisje in de, door mannen gedomineerde, BMX-wereld viel het me al snel op dat er wel degelijk verschillen waren tussen de mannen en de vrouwen. Als het over “de elite” ging, dan ging het over de mannen en op dat sporadische moment dat er een item over BMX-racing te zien was op het NOS sportjournaal waren het altijd de mannen die de show stalen. Kortom, het werd al snel duidelijk dat je als vrouw niet hoefde te verwachten dat je even serieus werd behandeld als de mannen. Dit werd nog duidelijker toen ik in de leeftijd kwam dat we niet meer voor bekers en medailles reden, maar voor de geldprijzen gingen rijden. Toen bleek dat de geldprijzen voor de mannen hoger uitvielen dan die van de vrouwen. Dit fenomeen beperkt zich niet alleen tot de BMX-wereld. Het overgrote deel van de sportwereld wordt nog steeds gedomineerd door mannen en is er vaak sprake van sterke inkomensongelijkheid tussen de seksen. Een kritische lezer zal nu wel denken: als de sportwereld zo wordt gedomineerd door mannen, is het dan niet logisch dat er ook meer geld omgaat in het mannencircuit en dat mannen dus meer verdienen?

Een theoretische stroming die zich specifiek bezighoudt met inkomensongelijk is de neoklassieke school. Als je naar dit vraagstuk zou kijken met een neoklassieke bril zou je in eerste instantie wellicht denken dat deze inkomensongelijkheid juist niet een logisch gevolg is van de dominantie van mannen in de sportwereld. Immers, de neoklassieken zullen de sportwereld zien als een markt waar het principe van vraag en aanbod geldt. De sportwereld wordt gedomineerd door mannen, en het aanbod van mannen is dus erg groot. Dit zou moeten betekenen dat het inkomen van mannen juist lager zou moeten zijn. Want als het aanbod groter is dan de vraag zorgt dit voor een daling in inkomen. Echter, als we ons wat verder verdiepen in deze theorie blijkt dat op de markt die de neoklassieken schetsen het inkomen afhangt van kennis, vaardigheden en talent. Deze vaardigheden zijn het gevolg van een investering die is gedaan. In het geval van een sporter betekent dit dat zijn inkomen afhankelijk is van zijn talent, en van de investering die hij heeft gedaan, in dit geval het aantal trainingsuren (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2014). Als we even terugkomen op het geval van verschillen in prijzengeld in de BMX-wereld snijdt deze theorie toch meer hout dan in eerste instantie lijkt. Want hoe meer concurrenten er zijn, hoe meer talent en vaardigheden je zal moeten hebben om de beste te zijn. Dit betekent dat inkomensongelijkheid een gevolg is van de dominantie van de mannen in de BMX-wereld.

Maar toch is deze verklaring niet genoeg om dit fenomeen helemaal te kunnen verklaren. De neoklassieken gaan er namelijk vanuit dat inkomensverschillen in de BMX-wereld enkel een gevolg zijn van de dominantie van de mannen. Maar wie zegt dat deze dominantie niet juist het gevolg kan zijn van inkomensongelijkheid? De neoklassieke benadering behoeft dus enige aanvulling (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2014).

Een mogelijke aanvulling is de functionalistische verklaring, deze theorie gaat veel meer uit van normatieve factoren die (kunnen) leiden tot ongelijkheid. In het geval van beroepen gaat deze theorie er dus vanuit dat de beloning van beroepen afhangt van het prestige van dit beroep. Dit prestige wordt grotendeels bepaald door de bijdrage die dit beroep levert aan de samenleving. In de BMX-wereld zou dit betekenen dat inkomensongelijkheid een indicator is van het feit dat mannelijke BMX-ers meer aanzien hebben dan vrouwelijke BMX-ers. Dit is nogal wat om zo te stellen, maar laten we de BMX-wereld eens bekijken als een soort mini-samenleving. Als de functionalistische verklaring klopt krijgen mannen meer prijzengeld betaald dan vrouwen, omdat zij meer prestige hebben. Deze prestige wordt bepaald doordat mannen een grotere bijdrage zouden leveren aan de mini-samenleving die de BMX-wereld heet. Nu rijst de vraag, waarom zouden mannen meer prestige hebben dan vrouwen?

Hier is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de concepten ‘ongelijkheid’ en ‘verschil’. Het concept ongelijkheid heeft een zekere vorm van stratificatie in zich, in het geval van inkomensongelijkheid betekent dit dat een bepaalde groep binnen de samenleving meer verdient dan de andere. Het concept ‘verschil’ heeft deze stratificatie niet. Een bepaalde groep is simpelweg anders dan de andere groep, wat niet wil zeggen dat de ene groep beter is. In het geval van geslacht is dit verschil duidelijk: een mannenlichaam is simpelweg anders opgebouwd dan het vrouwelijk lichaam. Dit wil niet zeggen dat het mannenlichaam “beter” is, maar het is wel belangrijk dit verschil te erkennen.

Nu terug naar de vraag waarom mannen meer prestige hebben dan vrouwen. In de BMX-wereld is het, zoals in zoveel sportwerelden, belangrijk om zoveel mogelijk geld, sponsoren en publiciteit te krijgen. In dit geval wil je dus dat als het sportjournaal een item uitzendt over BMX-racing, dat de rijders zo snel mogelijk gaan, zo mooi mogelijke sprongen maken, en eventueel nog wat spectaculaire crashes maken. Hier speelt het zojuist beschreven verschil tussen mannen en vrouwen een belangrijke rol. Mannen zijn van nature gewoon sterker dan vrouwen, zijn dus in staat meer snelheid te maken en grotere sprongen te maken. Kortom, het mannen-BMX wordt gezien als spectaculairder, en op commercieel gebied zullen mannen dus een grotere bijdrage leveren aan de inkomsten van de BMX-wereld. Het logische gevolg hiervan is dus dat mannen meer verdienen dan vrouwen.

Maar betekent dit ook dat inkomensongelijkheid in de sportwereld niet meer dan terecht is? Misschien wel, misschien is het in Nederland anno 2016 wel onvermijdelijk dat sommige verschillen in de samenleving leiden tot ongelijkheid omdat dit systeem van prestige en inkomen zo zit ingebed in onze samenleving. Waar mannen in de BMX-wereld meer verdienen dan vrouwen, verdienen vrouwelijke modellen weer meer dan mannen. Is dit eerlijk? Nee, in mijn ogen niet, maar misschien is dit wel een gegeven waar we mee moeten leren leven, omdat onze samenleving zo in elkaar zit.

(Blogpost geschreven voor Visies op Sociale Ongelijkheid)

Bronnen

Vrooman, C; M.  Gijsberts en J Boelhouwer (2014) Verschil in Nederland. Den Haag, SCP. Hoofdstuk  2.

Afbeelding: Caroline Buchanan, vijfvoudig wereldkampioen en Olympisch kampioen BMX, http://www.womenfitness.net/caroline_buchanan.htm

ASW core courses

DSC_4207Ashley van Heiningen

Hé, wat ben je welbespraakt! zei de moeder van een klasgenoot op de basisschool tegen mij. Toentertijd zocht ik niets achter deze uitspraak. Waarschijnlijk wist ik niet eens wat ze ermee bedoelde. De twintig-jaar-oude ik windt zich hier echter enorm over op. Maar jij bent eigenlijk gewoon blank van binnen, joh! en jij bent geen néger-neger, als je snapt wat ik bedoel zei een collega tegen mij. Nou om eerlijk te zijn snap ik niet wat je daarmee bedoelt. Ten eerste, hoe haal je het in je hoofd om het woord neger in mijn bijzijn te gebruiken, ten tweede wat is een ‘néger-neger’? “ Verbouwereerd stamel ik: “hoezo?” Er volgde een antwoord in de trant van “ja, hoe je praat, enzo. Zo netjes enzo.” Pardon? Hoe ik praat enzo? Het begint alweer druk te worden, dus zonder inhoudelijk antwoord te geven ga ik maar verder met mijn werk. Aan het einde van de werkdag nog even goede vrienden, maar thuis begin ik te malen. Blijkbaar praat ik dus ‘blank’. Voor zover ik weet spreek ik gewoon Noord-Hollands, algemeen beschaafd Nederlands, met af en toe een vleugje Amsterdams als ik in een gekke bui ben. Sinds wanneer is die manier van praten alleen weggelegd voor blanke Nederlanders? En wat bedoel je met ‘zo netjes’. Kunnen ‘néger-negers’ niet netjes praten, maar normale negers wel?

Mijn collega is zich hoogstwaarschijnlijk van geen kwaad bewust. Toch hebben mensen die niet behoren tot de dominante groep in de samenleving, regelmatig te maken met dit soort subtiele beledigingen. In de wetenschap staan deze opmerkingen te boek als microaggressions. De term wordt voor het  eerst gebruikt in 1970 door Chester M. Pierce (1970), een psychiater en professor aan de Harvard Universiteit. De term was toentertijd een beschrijving van alle beledigingen en afwijzingen die afro Amerikanen te horen kregen van niet-afro-Amerikanen (Sue, 2010, p. xvi). In 1973 werd de term uitgebreid. Soortgelijke agressies jegens vrouwen werden door Mary Rowe (1973) aan de definitie toegevoegd. Gaandeweg is microaggression een verzamelnaam geworden voor het luchtig denigreren van elke sociaal gemarginaliseerde groep. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan arme of lichamelijk beperkte mensen (Paludi, 2010, p. 22).

De psycholoog Derald Wing Sue (2010), heeft de term nog verder weten uit te diepen en beschrijft microaggressions als korte, alledaagse uitwisselingen met denigrerende inhoud, gericht naar bepaalde individuen, enkel en alleen om de groep waarbij ze horen (Paludi, 2012). En zeg nou eerlijk, bij Lotte uit de Middenbeemster, met haar helderblauwe ogen en lange blonde haar, zou je niet snel verbaast zijn over haar bekwaamheid om correct Nederlands te spreken.

Sue (2012) stelt verder ook dat de mensen, uit de dominante groepen, ‘microagressieve’ opmerkingen maken naar anderen, zonder zich hiervan bewust te zijn. Microaggressions zijn volgens Sue dan ook anders dan openlijke, opzettelijke bigotterie. Ze zijn vaak helemaal niet racistisch bedoeld (Paludi, 2010), maar waarom raakt het me dan elke keer weer even hard? En waarom ben ik vaak zó geschrokken en boos dat ik niet eens een zinnig antwoord terug kan geven? Vanwaar de brok in mijn keel, die knoop in mijn maag en de hartzeer?

Dat komt omdat microagressions gebaseerd zijn op stereotypes. ‘Hoe ontstaan stereotyperingen dan?’ vraag ik me af. ‘En waaraan heb ik al deze ‘microagressiviteit’ verdiend?’ Iedereen, of je het nou wil toegeven of niet, heeft bepaalde schema’s in zijn hoofd, waarmee hij mensen in categorieën plaatst. Dit gebeurt op basis van allerlei eigenschappen en kenmerken die mensen om ons heen hebben. De meest zichtbare en daarom misschien ook meest belangrijke zijn leeftijd, sekse, ras en etniciteit (Massey, 2007, p. 10). Hier is simpelweg niets tegen te doen. Het zit in de aard van de mens om te categoriseren. De schema’s aan de hand waarvan we categoriseren bestaan over het algemeen uit impliciete herinneringen en onbewuste gevoelens en posities jegens personen en objecten (Massey, 2007, p. 18). Dit is in principe ook helemaal geen slecht mechanisme als je het mij vraagt. Het kan juist heel veel voordelen hebben om in één oogopslag te zien met welke situatie je te maken hebt. Zo weet je bijvoorbeeld meteen of er gevaar dreigt of niet. Het nadeel is echter wel dat op deze manier vooroordelen ontstaan, en je mensen wellicht onterecht in een hokje plaatst.

Uit onderzoek is gebleken dat de meeste mensen die ‘microagressieve’ opmerkingen maken, niet vinden dat zij bevooroordeeld zijn (Evans, 2009). Toch kunnen hun opmerkingen schadelijk zijn voor de ontvangers. Uit onderzoek blijkt dat de ontvangers van microaggressions boosheid en frustratie ervaren en zich uitgeput voelen. Om zulke opmerkingen in de toekomst te voorkomen kunnen mensen het gevoel hebben dat ze hun eigen culturele identiteit moeten onderdrukken (Sue et al., 2008). Dit vreet een hoop van je energie, ik spreek uit ervaring. Op lange termijn kan het veelvuldig ontvangen van microaggressions leiden tot lagere zelfverzekerdheid en andere mentale problemen zoals depressies en trauma’s (Sue et al. 2008). Sterker nog, door het subtiele karakter, kunnen microaggressions zelfs schadelijker zijn dan openlijk racisme. Ze worden namelijk vaak genegeerd of gebagatelliseerd, wat als gevolg kan hebben dat het slachtoffer aan zichzelf gaat twijfelen, terwijl hij alle recht heeft om boos te worden (Lundberg, 2011).

Een kleine opmerking die in eerste instantie misschien als grap bedoeld is, kan onbedoeld toch vervelende gevolgen hebben voor degene naar wie de grap gemaakt wordt. Je moet je namelijk voorstellen, voor jou is het misschien een sporadisch grapje, maar de ontvanger hoort deze grap in al zijn variaties met meer dan een zekere regelmaat. En we weten allemaal, na tien keer is een grapje opeens niet meer zo grappig. Is dit een typisch geval van overgevoeligheid of het kruipen in een slachtofferrol? Misschien. Al met al, een donkere Nederlander aanspreken op het feit dat hij of zij ‘zo netjes’ praat, is absoluut niet grappig en en al helemaal geen compliment. En het feit dat jij dat niet inziet, vind ik dan weer niet zo netjes van jou, collega.

(Blogpost geschreven voor Visies op Sociale Ongelijkheid)

Bronnen

Evans, S.Y., (2009). African Americans and Community Engagement in Higher Education: Community Service, Service-learning, and Community-based Research. State University of New York Press.

Lundberg, P.K., (2011). Women and Mental Disorders. Praeger.

Massey, D., (2007). Categorically Unequal: The American Stratification System. New York: Russell Sage Foundation.

Paludi, M.A. (2012). Managing Diversity in Today’s Workplace: Strategies for Employees and Employers. Praeger.

Sue, D.W., (2010). Microaggressions and Marginality: Manifestation, Dynamics, and Impact. Wiley.

Sue, D.W., (2010). Microaggressions in Everyday Life: Race, Gender, and Sexual Orientation. Wiley.

Sue, D.W., Capodilupo, C.M., & Holder, A.M.B. (2008). Racial microaggressions in the life experience of black Americans. Professional Psychology: Research and Practice, 39, 329-336.

Afbeelding: http://nucnet.nl/blog-waarom-wil-je-ons-zo-graag-neger-noemen

ASW core courses

3689-1-mediumAviva Bosma

De cijfers liegen er niet om, ook anno 2016 verdienen vrouwen nog altijd minder dan mannen in dezelfde functie. Al bijna 60 jaar wordt erover gesproken, maar het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen is er nog steeds, zo blijkt onder andere uit cijfers van het CBS (2014). Het loonverschil is er, maar waar het door wordt veroorzaakt is nog altijd niet duidelijk.

Tijdens de opkomst van het feminisme in de 19e eeuw had de vrouw weinig rechten en vooral veel plichten. In 1957 verscheen een artikel (119 EEG) in het verdrag van Rome dat Europese lidstaten gelijke beloning voor mannen en vrouwen in gelijke functies dienen te ‘verzekeren en handhaven’. Nu, meer dan 60 jaar na de verschijning van artikel 119 EEG is er nog altijd geen sprake van volledige gelijkheid van beloning.

Een aantal factoren dat meespeelt bij de totstandkoming van het loonverschil zijn functieniveau, werkervaring of functioneren, maar een deel van het verschil is onverklaarbaar. Volgens het CBS (2014) is het resterende loonverschil niet meteen een duiding van loondiscriminatie. Het zou bijvoorbeeld ook kunnen liggen aan een verschil in bijvoorbeeld ambitie en motivatie.

We zouden vanuit de Neoklassieke economische benadering kunnen stellen dat het beloningsverschil een simpel gevolg is van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De mogelijkheid bestaat dat mannen meer gemotiveerd zijn doordat zij bijvoorbeeld, vanuit de evolutie gezien, het gevoel hebben voor het gezin te moeten zorgen. Mannen en vrouwen concurreren op de arbeidsmarkt. Wanneer mannen inderdaad meer motivatie en ambitie bezitten zal de voorkeur dus vooral naar hen uitgaan. De mogelijkheid bestaat dat er meer vraag is naar mannen in bepaalde sectoren en dan men bereid is om hiervoor dus ook meer te betalen. Meer marktwerking leidt tot meer concurrentie. Het kan ook betekenen dat mannen beter passen in bepaalde functies of in deze functies meer worden gewaardeerd.

Daarnaast kan het liggen aan het ‘human capital’ van de persoon. Verschillen in ‘human capital’ zorgen voor uiteenlopende opbrengsten. Wanneer mannen meer human capital bezitten kan dit er dus voor zorgen dat zij voor dezelfde functie meer betaald krijgen. Een verschil in human capital kan door verschillende redenen ontstaan. In de neoklassieke economie worden diensten gezien als commodities. Wanneer een man bepaalde functies, door zijn eigenschappen, beter kan uitvoeren dan een vrouw, zal hij voor dezelfde functie dus beter beloond worden. In de maatschappij van vandaag de dag willen we allemaal graag geloven dat mannen en vrouwen gelijk zijn, en dus ook hiernaar betaald zouden moeten worden. Maar wat als mannen en vrouwen simpelweg niet gelijk zijn? Misschien hebben mannen en vrouwen andere kwaliteiten en zullen zij door de werking van de markt dus ook nooit gelijk beloond worden. Vanuit dit perspectief is het dus onmogelijk om de oorzaken van de loonkloof tussen mannen en vrouwen te vinden. Het is de werking van de (arbeids)markt.

Toch blijft de loonkloof één van de terugkerende onderwerpen uit het feministisch discours. Maar niet alleen vrouwen houden zich met dit onderwerp bezig. In recent onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens werd niet alleen gekeken naar de loonverschillen, maar ook naar de (eventuele) oorzaken hiervan (2016). Zo werd er bij het onderzoek onderscheid gemaakt in neutrale- en niet neutrale maatstaven in het beloningsbeleid. Een voorbeeld van een neutrale maatstaf is werkervaring, een niet neutrale maatstaf is bijvoorbeeld salarisonderhandeling. Deze niet neutrale maatstaven voor het vaststellen van het loon zouden wel eens de oorzaak kunnen zijn die we zoeken.

Wanneer salaris namelijk wordt vastgesteld op basis van salarisonderhandelingen of op basis van het laatstgenoten salaris is er veel meer kans op ongelijke salarissen, dan wanneer dit wordt gedaan aan de hand van bijvoorbeeld relevante werkervaring (College voor de Rechten van de, 2016). Toch blijkt ook dat vrouwen twee keer zo vaak in aanraking komen met een situatie waarin te weinig salaris wordt toegekend en het bedrag dat zij hiermee mislopen ook twee keer zo hoog is (College voor de Rechten van de, 2016).

Ik denk dat we dus wel kunnen stellen dat de neoklassieke economische benadering van dit sociale fenomeen niet genoeg antwoorden geeft. Het simpelweg afschuiven op de functie van de markt is te kort door de bocht. In de samenleving van vandaag wordt het inkomen vaak gezamenlijk verdiend. Daarnaast krijgen vrouwen veel later en veel minder kinderen, dus het argument dat mannen evolutionair gezien meer gemotiveerd zijn om te werken is niet voldoende. Toch zou het wel mee kunnen spelen dat we nog altijd graag mannen zien in bepaalde posities, de meningen verschillen of mannen ook daadwerkelijk beter geschikt zijn voor deze functies. Misschien ligt de oorzaak van het loonverschil dus niet bij gebruik van ‘niet neutrale maatstaven’ bij het vaststellen van lonen, maar in een ongelijk beeld dat we hebben van mannen en vrouwen. Het ingebakken beeld van het (evolutionaire) verschil tussen mannen en vrouwen zou wel eens de oorzaak kunnen zijn de loonkloof. Om een verschil in loon gelijk te trekken moeten vrouwen wel eerst als gelijke worden gezien.

(Blogpost geschreven voor Visies op Sociale Ongelijkheid)

Bronnen

Centraal Bureau voor de Statistiek. (2014). Loonkloof vrouwen en mannen, feit of fictie? Opgevraagd op 4 februari 2016 van http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/publicaties/artikelen/archief/2014/2014-5000-wm.htm

College voor de Rechten van de Mens. (2016). Onderzoek College voor de Rechten van de Mens: beloningsonderscheid op hogescholen. Opgevraagd op 4 februari 2016 van https://www.mensenrechten.nl/berichten/onderzoek-college-voor-de-rechten-van-de-mens-beloningsonderscheid-op-hogescholen

ASW core courses

AliLucy van Raalte

Vroeger als mijn moeder naar haar werk ging en er voor mij weer een o zo geliefde schooldag tegemoet kwam, smeekte ik mijn moeder vaak of ik haar niet even kon vergezellen naar haar werk, aangezien mijn school het toch niet zou merken. Ik gebruikte mijn – in mijn ogen – veelbelovende technieken: de puppyoogjes en het chantagemiddel ‘dan ruim ik vanavond mijn kamer op’. Echter, tot mijn grote teleurstelling hadden deze technieken toch niet mijn wens volbracht, tot een maandje geleden. Een dagje met mijn moeder naar het mbo onderwijs bij het ROC Amsterdam, eens kijken waar die werkstress van mijn moeder vandaan kwam. Dit werd mij al snel duidelijk toen de lessen aan de gang waren.

Propjes vlogen door het lokaal, geschreeuw van alle kanten en brutale opmerkingen werden naar mijn moeders’ hoofd geslingerd alsof het niets was. Vooral voor ene Ali nogwat – laat ik hem Ali S. noemen – leek het, in tegenstelling tot mijn puppyoogjes techniek, een geweldig plan om mijn moeder eens lekker even uit te dagen. Een opmerking als: ‘Nee, ik ga zeker niet aan het werk, daar heb ik geen zin in’ en ook ‘je kanker moeder’ (excuses voor het taalgebruik) was een geliefde uitspraak van deze Ali S. Godzijdank hoefde ik deze uitspraak niet te letterlijk te nemen, en was dit niet echt naar mijn lieve moeder gericht, maar naar zijn buurman, die er ook zo een zin in had vandaag. Mijn moeder legde mij toen uit dat deze Ali nogal wat gedragsproblemen had (daar was ik nog niet achter namelijk) en de laatste tijd vaak in contact is gekomen met criminaliteit. De eerste gedachte die in mij op kwam was: Zijn Marokkaanse achtergrond maakt zijn leventje ook niet veel makkelijker.

We lezen tegenwoordig overal over de delinquente gedragingen van Marokkaanse jongeren en hun sociale achterstand en ongelijkheid in de maatschappij. Er zijn tal van verklaringen voor deze sociale achterstand. Als we bijvoorbeeld naar Marx zouden luisteren, zou deze achterstand van Marokkaanse jongeren in Nederland komen door economische verschillen tussen hen en autochtonen. Volgens Marx hebben alle sociale situaties een economische basis, waarbij het bezit en de hulpbronnen niet eerlijk verdeeld zijn in de maatschappij (Vrooman, Gijsberts & Boelhouwer, 2014). De criminele gedragingen van Marokkaanse jongeren zouden dus enkel het gevolg zijn van economische omstandigheden. Het vaak relatief lage opleidingsniveau en de daarmee gepaarde ‘slechte’ economische situatie zijn de enige oorzaak voor het criminele gedrag van Ali S.

Hoewel deze economische verklaring zeker een belangrijke rol speelt in het verklaren van crimineel gedrag onder Marokkaanse jongeren, is deze benadering van Marx naar mijn mening nog te eenzijdig. Veel Marokkaanse jongeren hebben namelijk ook een gebrek aan andere soorten hulpbronnen die hen tot een ‘normale’ burger zouden maken. Zoals socioloog Pierre Bourdieu dit zou zeggen: Zij hebben niet alleen een gebrek aan humaan kapitaal (geld, opleiding), maar hebben ook, wat nog belangrijker is, een gebrek aan sociaal en cultureel kapitaal (Vrooman, Gijsberts & Boelhouwer, 2014). Het culturele kapitaal verwijst naar de gedeelde voorkeuren, houdingen en gebruiken en het sociale kapitaal naar de netwerken, contacten en ‘connecties’ (Vrooman, Gijsberts & Boelhouwer, 2014). De netwerken die Marokkaanse jongeren zoals Ali S. hebben zijn beperkt tot hun eigen categorisch achtergestelde groep. De jongen waar Ali S. naast zat in de klas was geen oerhollandse Bert, maar was ook van Marokkaanse afkomst, waaruit de voorkeur voor homogene relaties blijkt. Ze zijn minder betrokken bij de autochtone Nederlandse samenleving en hebben hierdoor ook een andere set van normen, waarden, gewoontes en simpelweg een andere levensstijl dan in Nederland als normaal gezien wordt. Door alleen met mensen om te gaan die in dezelfde positie zitten, zal Ali geen vernieuwende gewoontes en veranderingen in normen ontwikkelen.

Echter, dit gebrek aan heterogene relaties komt niet alleen van de kant van de Marokkaanse jongeren, maar evenveel van de kant van autochtone Nederlanders. Hierbij geloof ik heilig in het principe van de self-fulfilling prophecy dat Elias en Scotson beschrijven in The Established and the Outsiders (1994). Doordat mensen in Nederland de Marokkaanse jongeren als ‘anders’ beschouwen en deze jongeren associëren met criminaliteit, zullen deze Marokkaanse jongeren zich ook daadwerkelijk anders voelen en zich eerder gaan begeven in het criminele circuit. De onbetrokkenheid en het gebrek aan heterogene netwerken in Nederland ter verklaring van het criminele gedrag van Ali S. zijn naar mijn mening even belangrijk, of misschien zelfs belangrijker, dan zijn lage economische positie. En kom op zeg, we leven in de postmoderne tijd, waar alles draait om vernieuwing en waarbij de kansen die iemand heeft niet af hoeft te hangen van zijn afkomst of klasse (Vrooman, Gijsberts & Boelhouwer, 2014).

Zou het dan niet inmiddels vanzelfsprekend moeten zijn dat we gelijkwaardige netwerken met mensen van welke afkomst dan ook aan zouden gaan om tot een betere manier van samenleven te komen? Begint de stereotypering en categorisering van Marokkaanse Nederlanders inmiddels niet een beetje ouderwets te worden? En voor Ali, neem eens een voorbeeld aan je geliefde naamgenoot Ali B, de meest geïntegreerde knuffel Marokkaan van ons land, met meer sociaal en cultureel kapitaal dan tientallen autochtone Nederlanders bij elkaar. Werken mijn plannen voorlopig nóg niet, dan komen mijn puppyoogjes misschien nog te pas.

(Blogpost geschreven voor Visies op Sociale Ongelijkheid)

Bronnen

Elias, N., & Scotson, J. L. (1994). The Established and the Outsiders. London: SAGE Publications Ltd.

Vrooman, C; M.  Gijsberts en J Boelhouwer (2014) Verschil in Nederland. Den Haag, SCP. Hoofdstuk 1 en 2.

ASW core courses