image description

ASW Journal

Theses from Interdisciplinary Social Sciences (ASW)

meatball_camp_circustheater_vuilnisman_klikoSies ter Hofstede

‘‘The disposition to admire, and almost to worship, the rich and the powerful, and to despise or, at least, to neglect persons of poor and mean condition is the great and most universal cause of the corruption of our moral sentiments’’ (Smith, 1790)

In de Pijp in Amsterdam, woont tegenover mij mijn buurman samen met zijn vrouw in een sociale huurwoning. Zijn baan is vuilnis ophalen, hij is een vuilnisman. Vaak als ik hem zie lopen heeft hij nog z’n oranje broek en hesje aan. Uit honderden is hij te herkennen door de felle kleur die hij draagt. Ik kom hem niet vaak tegen in de ochtend omdat hij altijd al erg vroeg op moet staan om naar zijn baan te gaan, terwijl ik dan nog lekker in mijn bed lig te ronken.

Het aanzien van zijn werk, vuilnis ophalen, is niet erg groot. Dit, terwijl het werk is wat gedaan moet worden. Zonder vuilnismannen zou het vuil zich in de stad ophopen en zou er binnen mum van tijd een gigantische ophoping van het vuil zijn en zouden ratten de stad onveilig maken. Dat vuilnis wordt opgehaald is dan ook van groot belang. Echter krijgt mijn buurman voor zijn baan niet erg veel betaald, sterker nog; hij krijgt zeer weinig betaald voor zijn baan. Voor mij is dit een duidelijke vorm van sociale ongelijkheid. Hoe kan het dat er bij zo’n belangrijke baan, zo weinig salaris tegenover staat? Het antwoord op deze vraag ligt misschien wel in de functionalistische verklaring voor sociale ongelijkheid.

De functionalistische verklaring voor sociale ongelijkheid gaat ervan uit dat een hoge status, inkomen en hoge sociale privileges, zorgen dat mensen hoge posities werven die voor de welvaart belangrijk zijn (Vrooman, Gijsberts, & Boelhouwer, 2014). Deze verklaring gaat ervan uit dat verschillen in inkomen, verschillen in beloning zijn. De functie van een beroep voor de samenleving bepaalt de hoogte van de beloning. Bij deze functionalistische verklaring gaat het over de normering, de beloning die wordt toegekend aan de functie die iemand vervult.

Volgens Davis en Moore (1945), aangehaald in het Sociaal Rapport van Vrooman, Gijsberts en Boelhouwer (2014), komen sociale tegenstellingen, zoals de prestige voor bepaalde banen, door de normatieve invulling van de samenleving. Volgens hen hangt beloning en toegankelijkheid van beroepen af van hun prestige. In het geval van mijn buurman is zijn prestige erg laag, dus is volgens deze functionalistische kijk ook zijn beloning erg laag.

Echter vind ik dat aan deze functionalistische verklaring nog wel wat haken zitten. Zo krijgen ambtenaren bijvoorbeeld veel betaald, maar is hun prestige niet erg hoog. Volgens de functionalistische verklaring zou dit niet kloppen. Daarnaast verdient een apotheekmanager bijvoorbeeld redelijk veel, terwijl het aanzien van een apotheekmanager nu niet bijster hoog is.

Daarnaast zou je de vraag waarom een vuilnisman zo weinig verdient ook kunnen koppelen aan de neoklassieke benadering. Deze benadering gaat ervan uit dat je een bepaald inkomen krijgt als gevolg van jouw investeringen in je humaan kapitaal (Vrooman et al., 2014). Humaan kapitaal is meestal je opleiding. Dit betekent dus dat verschillen in gelijkheid en dus sociale ongelijkheid, een gevolg zijn van zo’n investering in humaan kapitaal. Bij deze verklaring zou ongelijkheid dus legitiem zijn, omdat je ‘beloning’, salaris, afhangt van de investering die je ooit hebt gedaan in jezelf (Vrooman et al., 2014). In het geval van mijn buurman zou je volgens deze benadering kunnen beweren dat hij ooit geen goede investering heeft gedaan in zijn humaan kapitaal, door bijvoorbeeld een opleiding te gaan doen, waardoor hij nu een lager inkomen heeft.

Deze neo-klassieke verklaring stuit echter wel op een aantal problemen. Zo stopte een van de rijkste mensen ter wereld, Bill Gates met zijn studie waarna hij Microsoft oprichtte en miljardair werd (Gates, 2015). Ook zijn er genoeg mensen die een diploma hebben, maar waarvoor hun ‘investering’ in hun opleiding niet loont met wat ze krijgen nadat ze zijn afgestudeerd.

Ook Max Weber schreef al aan het begin van de 20e eeuw over sociale ongelijkheid. Hij beschreef ongelijkheid als de ongelijke verdeling tussen gezagsrelaties, vaardigheden en het onderwijsniveau (Vrooman et al., 2014). Volgens hem waren dit de elementen die zouden leiden tot de kansen die je krijgt in je leven. Weber onderscheidde drie soorten klassen, hij noemde de ondernemers en professionals ‘renteniers en de armeren in de samenleving noemde hij ‘proletarii’ (Vrooman et al., 2014). Volgens Weber zou de klassenpositie van mensen steeds meer bepalend worden voor hun levenskansen. Als we de benadering van Weber toepassen op mijn buurman zou mijn buurman behoren tot de klasse van het ‘proletarii’. Dit zou ook betekenen dat zijn ouders waarschijnlijk ook al in deze klasse zaten en dat dit bepalend is geweest voor zijn kansen in het leven, bij zijn geboorte stond het eigenlijk al vast. Echter zou hij volgens de benadering van Weber nog wel een kans hebben om zijn levenskansen te verbeteren, door bijvoorbeeld te trouwen. In dit geval zou hij zijn kapitaal kunnen koppelen aan dat van zijn vrouw en dan kan dit kapitaal elkaar aanvullen.

Het moge duidelijk zijn dat de kwestie van ongelijkheid in het geval van beloning en prestige voor het werk van een vuilnisman een ingewikkelde zaak is. Geen enkele verklaring voor ongelijkheid geeft een volledig beeld van de sociale ongelijkheid die we zien in de samenleving. Terwijl mijn buurman zeer belangrijk werk doet, staat voor ons als de samenleving dit blijkbaar niet hoog genoeg in ons aanzien. Misschien is het tijd dat we eens zien hoe de stad er uit zou zien zonder vuilnismannen, en de ratten de stad tijdelijk overnemen, dat we dan beseffen dat we echt niet zonder kunnen en dat het niet meer dan normaal is om deze mensen wat meer te waarderen en te belonen.

(Blogpost geschreven voor Visies op Sociale Ongelijkheid)

Bronnen

Gates, B. (2015). About Bill. Opgehaald van Gates Notes: https://www.gatesnotes.com/globalpages/bio

Smith, A. (1790). The Theory of Moral Sentiments. London: A. Millar.

Vrooman, C., Gijsberts, M., & Boelhouwer, J. (2014). Verschil in Nederland: Sociaal en Cultureel Rapport. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Afbeelding: http://www.theaterbureauspot.nl/aanbod/meatball-vd-camp-circustheater-verrukkelijke-vuilnismannen/

ASW core courses