image description

ASW Journal

Theses from Interdisciplinary Social Sciences (ASW)

Archive for September, 2014

Robin Schram - PortretRobin Schram – In Guatemala Stad zeg je elkaar gedag met de woorden: “con cuidado, adios!” Con cuidado betekent ‘wees voorzichtig’, en die waarschuwing is er niet voor niets. Guatemala scoort hoog op die lijstjes waar je als land of stad liever niet hoog op scoort: hoge criminaliteitscijfers, hoog aantal moorden, een hoge corruptie-index, een hoge Gini-index, een hoog percentage ongeletterdheid, en ga zo nog maar even door. Guatemala staat in de wereldwijde top vijf van landen waar de meeste mensen vermoord worden (oorlogsslachtoffers niet meegerekend). Zo worden in Guatemala, een land met een kleine 15 miljoen inwoners, dagelijks gemiddeld zestien à zeventien mensen vermoord. Terwijl in Nederland gemiddeld eens in de twee dagen iemand wordt vermoord.

Maar dit soort cijfers geeft nog weinig inzicht in de historische en structurele oorzaken die hieraan ten grondslag liggen, laat staan over de beleving van mensen die in deze situatie (over)leven. De samenleving in Guatemala Stad heeft zich georganiseerd rondom angst, en de organisatie van die samenleving houdt op haar beurt deze angst in stand. Op deze manier is het in een neerwaartse spiraal verzeild geraakt. Hoe dit in zijn werk gaat laat zich goed beschrijven aan de hand van architectonische metaforen; alle constructies die zowel oorzaak zijn van, als voortkomen uit, ongelijkheid en angst.

De toren van Babylon

De toren van Babylon is in dit kleine land met 23 talen misschien wel de meest voor de hand liggende metafoor. Met Spaans als officiële nationale taal, wordt iedereen die het niet spreekt, of Spaans als tweede taal heeft, al snel als een tweederangs burger gezien. Om dit te benadrukken wordt een Maya taal door sommigen expliciet geen ‘taal’, maar een lengua – ‘tong’ – genoemd.

Deze opdeling en rangorde van talen illustreert de aanzienlijke horizontale (etnische) ongelijkheid in dit land, die grotendeels samenvalt met de verticale (economische) ongelijkheid. De Maya bevolking – de oorspronkelijke bevolking van het gebied – leeft hier na 500 jaar Westerse onderdrukking onder barre omstandigheden, maar blijft desalniettemin trots vasthouden aan haar talen en cultuur. Het diepgewortelde racisme jegens de Maya bevolking wordt nog eens bevestigd doordat in bepaalde kringen het interraciaal verwekken van kinderen wordt aangemoedigd met de woorden mejorar la raza – ‘het ras verbeteren’.

Interraciaal kinderen verwekken is echter niet de meest voor de hand liggende manier om de armoede te ontstijgen en meer respect te ontvangen. Het is makkelijker om met een vuurwapen een overval te plegen, en bij gebrek aan andere vormen van macht is dit de keuze die veel jongeren maken. Ze hebben immers weinig te verliezen en het levert ze wel degelijk geld en respect op.

Beton en bewakers: een angst-economie

De structurele ongelijkheid is dus deels de oorzaak van de grote hoeveelheid gewapende overvallen in dit land. Dit heeft zijn weerslag op de manier waarop de samenleving zich organiseert. Neem bijvoorbeeld de plek waar ik werk. In een straal van vijftig meter van mijn kantoor vind ik een winkel waar ik vuurwapens kan kopen, een aantal banken met elk een tiental private gewapende bewakers (daar zijn er in dit land vier keer meer van dan politieagenten) en een grote verzekeringsmaatschappij met in hetzelfde gebouw de mogelijkheid om kogelvrije vesten aan te schaffen en je auto volledig te laten blinderen of te laten bepantseren.

Robin Schram - Guatemala illustratie1

Figuur 1: De advertenties van een angsteconomie (Robin Schram)

Hieruit concludeer ik dat de economie hier niet alleen draaiende gehouden wordt door hebzucht, zoals gebruikelijk is, maar vooral ook door angst. Als ik mijn moraal aan de kant zou zetten en zou moeten kiezen waar ik mijn geld in zou beleggen, dan wordt dat in beton (voor het bouwen van muren), prikkeldraad, private beveiligingsbedrijven en vuurwapens. Dat is gegarandeerd een lucratieve investering, want voorlopig verwacht ik dat deze industrieën goed blijven gedijen bij de collectieve paranoia die in dit land heerst.

Het wrange van een economie die op angst draait, is dat bepaalde mensen profijt hebben van deze angst en dat deze mensen er dus gebaat bij zijn om die angst in stand te houden. Het journaal vertelt mensen hier elke avond wie er hoe en waar vermoord zijn, met heftige beelden en een soort James Bond muziekje op de achtergrond om de spanning op te bouwen. Vervolgens wordt het journaal onderbroken door reclamespotjes die je precies vertellen wat je allemaal moet aanschaffen en waar je je voor moet verzekeren om zorgeloos te kunnen leven in deze ‘gevaarlijke wereld’.

De Gouden Kooi

Want als je alles hebt, heb je alles te verliezen, en die kans is in Guatemala Stad iets groter dan elders. Iedereen die hier iets van waarde bezit is bang om het kwijt te raken. En wat doe je dan in een stad waar criminaliteit zo wijdverspreid is dat het oncontroleerbaar geworden is? Je sluit niet de criminelen op, maar jezelf. Guatemala Stad staat vol met ‘gated communities’. Oftewel, woonwijken met een grote muur en prikkeldraad er omheen. Als je iemand in zo’n gemeenschap bezoekt en je komt langs de slagbomen, de camera’s en de private beveiligers met grote vuurwapens, dan word je in sommige gevallen nog tot aan de voordeur geschaduwd door een motorrijder die controleert of je inderdaad een gewenste gast bent.

Robin Schram - Guatemala illustratie2

Figuur 2: Vergelijkbaar beeld uit de film ‘La Zona’ over angst binnen een ‘gated community’ in Mexico Stad

Het is een frappante gewaarwording dat de rijkere mensen in dit land het meest opgesloten zitten, terwijl het arme volk vrij rondloopt. Nou ja, in letterlijke zin dan. Want wat betekent vrijheid nog als je gevangen zit in armoede? Het tragische is dat ik hier vooral veel processen zie die de problematiek in dit land structureel versterken. Het bouwen van muren waar de rijkere mensen achter kunnen wonen is hier een goed voorbeeld van. De segregatie, stratificatie en sociale uitsluiting worden met de bouw van deze muren en andere fysieke barrières alleen maar bestendigd.

De Ivoren Toren

Het bijzondere aan een land waar je een rijke elite, een relatief kleine middenklasse, en een grote arme klasse hebt, is dat het voornamelijk bestuurd wordt (en bestudeerd wordt, door mij bijvoorbeeld) door mensen die geen idee hebben in wat voor werkelijkheid het grootste deel van de bevolking leeft. De bestuurders in Guatemala overzien het land vanuit een Ivoren Toren. Ik zou willen zeggen dat dit puur figuurlijk is, maar soms komt het wel heel dicht bij de werkelijkheid.

Ik ben een avond bij twee Franse ambassadeurs op bezoek geweest. Eén van deze heren woont met zijn vrouw op de veertiende verdieping van een (natuurlijk goed beveiligd) luxueus appartementencomplex, een soort ‘gated tower’. In dit huis vol met prachtige kunst drinken we Franse wijn en eten we toastjes met Europese kaas en vleeswaren. Vanaf het balkon hebben we een prachtig uitzicht over de stad met haar twinkelende lichtjes in de nacht, en we bespreken de sociale problematiek in Guatemala. Om beurten overtroeven we elkaar met nog betere oplossingen voor de criminaliteit, de mijnbouwconflicten, kindersterfte door ondervoeding etc. En dat terwijl we zelf op dit uur de straat niet op durven. Echt eens worden we het niet met elkaar over deze thema’s. Maar dat deert niet, want het avondeten is klaar en wordt opgediend, en in onze veilige toren kunnen we het gewoon weer over leuke reisjes en het WK hebben. Zouden we evenveel van deze Bourgondische avond kunnen genieten als wij niet alleen vanuit onze toren de stad konden bekijken, maar de stad ook ons zou kunnen zien?

Het Panopticum

Een Panopticum is een architectonische constructie die bedoeld is om mensen te controleren en te disciplineren. Meestal wordt het als een inrichting of een gevangenis gebruikt. Het gaat om een rond gebouw, denk aan een koepelgevangenis, met in het midden een toren die uitzicht geeft op alle cellen die in een cirkel om deze toren heen gebouwd zijn. Het idee is dat je in zo’n cel altijd gezien kan worden, maar dat je nooit weet of en wanneer je ook daadwerkelijk gezien wordt omdat je de bewaker op de toren niet kan zien vanuit de cellen. Deze permanente mogelijke controle maakt dat je bepaalde gewenste gedragingen op den duur internaliseert.

In Guatemala Stad hebben de meeste (kantoor)gebouwen spiegelende ramen en zijn auto’s volledig geblindeerd. Dat is het eerste wat je doet wanneer je hier een nieuwe auto koopt: de ramen blinderen. Dit verkleint de kans op een overval. Het zijn deze spiegelende ramen die me doen denken aan het Panopticum. Mensen kunnen mij wel zien, maar ik kan hen niet zien. Daardoor kan ik, wanneer ik over straat loop, altijd bekeken worden zonder dat ik zeker weet of dat ook werkelijk gebeurt. En ja, ik lijk bepaalde gedragingen te internaliseren. Ik peuter niet in mijn neus en krab niet aan mijn zak. Daarnaast heb ik een soort vastberaden loopje ontwikkeld waarmee ik probeer uit te stralen dat ik de stad goed ken en dat ik precies weet waar ik heen loop, ook als dit niet bepaald het geval is. Je weet immers nooit wie er naar je kijkt en welke intenties ze hebben.

Robin Schram - Guatemala illustratie3Figuur 3: Spiegelende ramen en geblindeerd glas (Robin Schram)

Dit is tot daar aan toe, maar er zit nog een schrijnendere dimensie aan dit verhaal. Het gaat in dit geval niet om een bewaker die gevangenen in de gaten houdt, maar over de rijkere klasse die vanachter hun spiegelende ramen in hun comfortabele kantoren en auto’s de armere klasse op straat ongegeneerd kan aanschouwen. Vanuit de BMW van een collega kijk ik schaamteloos lang naar de mensen op straat. Mensen die buiten fruit of kauwgom verkopen, dronken mannen die op de grond hun kater liggen uit te slapen, of een jong stel dat op een bankje zit te zoenen; ze kunnen mij toch niet zien kijken. Als een oud Maya-vrouwtje tussen de auto’s voor het stoplicht komt bedelen ziet ze alleen zichzelf in de spiegeling van de autoruiten. Het is eenvoudig om haar te negeren omdat we elkaar niet in de ogen kunnen kijken en omdat mijn onachtzaamheid dus onopgemerkt gaat.

Daarbij gaat het niet alleen over de rijkere klasse, maar ook over de heersende klasse. Zo ben ik bijvoorbeeld op bezoek geweest op het kantoor van de gouverneur van de provincie Chiquimula. Ook dit kantoor heeft geblindeerd glas en kijkt uit over de plaatselijke markt waar Maya-vrouwen hun groenten en fruit verkopen. Het is een ironische manier om uitdrukking te geven aan de ondoorzichtigheid van deze overheid. Met deze gouverneur hadden een collega en ik een afspraak. Nadat hij ons meer dan een uur had laten wachten had hij gedurende de pauze van de voedbalwedstrijd tussen Spanje en Chili precies tien minuten de tijd voor ons. Daarvan heeft hij zeker vijf minuten over voetbal gepraat, en daarna had hij toch écht weer andere verplichtingen. Zou hij ook met zijn voeten op zijn bureau voetbal kijken als hij aan de andere kant van het glas zat?

Een neerwaartse spiraal

Of het nu de regerende elite is die voetbal kijkt tijdens werktijd, of de rijkere elite die geld verdient aan angst; het wordt duidelijk dat de machtigste mensen in dit land weinig belang hebben bij het veranderen van de neerwaartse spiraal waar dit land zich in bevindt.

Robin Schram - Guatemala illustratie4

Ongelijkheid resulteert in geweld; het geweld creëert een angstige maatschappij; hierdoor ontstaat een industrie die draait op de behoefte aan veiligheid; deze industrie creëert fysieke en geografische structuren die de ongelijkheid bestendigen; en op deze manier wordt de ongelijkheid in Guatemala zowel de oorzaak als een gevolg van geweld en angst. Wie de oplossing heeft mag zich melden in Guatemala, maar pas op, zorg wel dat je goed verzekerd bent. Ik kan iedereen de molestverzekering van ‘Oomverzekeringen.nl’ van harte aanbevelen!

Robin Schram Guatemala - Illustratie4 (Andrew Singer)

Figuur 4: De aangeschafte ‘vrijheid’ van de rijke klasse (Andrew Singer)

Robin Schram is Afgestudeerd bij ASW in het Domein Conflictstudies. Momenteel is hij masterstudent bij de studie ‘Conflicts, Territories and Identities’ aan de Radboud Universiteit. Voor zijn scriptieonderzoek naar dialoogprocessen bij mijnbouwconflicten loopt hij een half jaar stage bij het NIMD in Guatemala Stad.

 

 

Conflict Studies Blogs

JihadMartijn Dekker – Dom. Naïef. Labiel. Zomaar wat woorden die zogenaamde experts in de mond nemen om de geestesgesteldheid van jonge ‘jihadisten’ die naar Syrië vertrekken, te omschrijven. Niet dat deze experts zelf ook maar een woord met de jongeren in kwestie hebben gesproken, maar dat is voor dit soort psychologie van de koude grond gelukkig allerminst nodig.

Politici van diverse partijen en leden van het kabinet spreken vooral van het gevaar dat eventueel terugkerende jihadisten vormen voor de Nederlandse samenleving. Radicalisering! Terrorisme! Aanslagen! De camera’s draaien, de presentatoren smullen en het publiek kan zich genoegzaam opwinden en bang laten maken. De vraag is echter waarom de motieven van de jongeren in kwestie niet serieus worden genomen. Waarom de redenen voor hun vertrek naar een oorlogsgebied – wat toch van lef getuigt – niet op zijn minst een beetje op waarde worden geschat. Want als je de motieven niet goed kent en de jongeren in kwestie slechts als gek of gevaarlijk bestempelt, of ze hun paspoort afpakt om te voorkomen dat ze überhaupt afreizen, sluit je dan niet de weg naar een duurzame en inclusieve oplossing af?

In maart van dit jaar, toen Pauw het nog met Witteman deed, was jongerenimam Yassin Elforkani op bezoek, en sprak hij wijze woorden door zijn zorgen te uiten en erop te wijzen dat jongeren de consequenties van een reis naar Syrië veelal niet kunnen overzien. Jesse Klaver van GroenLinks was er echter al snel bij om de nuancering teniet te doen en de jongeren als ‘leip’ weg te zetten. Dat het ietwat ironisch was dat naast hem student Wijbe Abma zat, die al diverse keren alleen naar Syrië afreisde om daar hulpgoederen uit te delen, ontging Klaver volledig. Abma is een oer-Hollandse held en zijn motieven of geestesgesteldheid staan blijkbaar niet ter discussie. Hij wilde iets doen, kwam erachter dat hij ook iets kon doen, en ging gewoon.

Tegenhouden
Eerder op dezelfde avond in maart, in het EO-programma ‘De Vijfde Dag’, bleef presentator Tijs van den Brink zich maar afvragen waarom we destijds niks deden om die jongeren tegen te houden. De reden leek toen vrij eenvoudig: omdat het iedereen met een paspoort vrij staat om de wereld over te reizen en de meest bizarre dingen te doen; de K2 beklimmen, bungeejumpen, op survivaltocht in het Amazonegebied gaan of met een step proberen de Sahara te doorkruisen – het kan en mag allemaal.
Het interessante aan het fenomeen van de jihadisten is dat ze, in tegenstelling tot de hierboven genoemde voorbeelden, niet alleen hun eigen grenzen proberen te verleggen, maar vooral ook andere mensen willen helpen. De machteloosheid en het knagende gevoel dat je iets wilt doen, maar niet weet wat, zullen veel mensen bekend voorkomen. Na de oorlogsbulletins in bioscopen, de eerste tv-beelden uit Vietnam en enkele decennia later de beelden van inslaande raketten tijdens de eerste Golfoorlog, leven we nu in een tijd waarin we door globalisering en geavanceerde technologie in staat zijn om precies te zien hoe gruwelijk de gevolgen van een oorlog zijn. Je hoeft slechts journalist Harald Doornbos op Twitter te volgen om met regelmaat de confronterende, dagelijkse tussenstand van het aantal Syrische slachtoffers mee te krijgen.

In maart van dit jaar leek de strijd in Syrië nog een ver-van-ons-bed-show. Maar tijdens de hete zomer van 2014 lijkt er het een en ander veranderd te zijn. Want naar het schijnt, zijn we anders gaan denken over de relatie tussen vrijheid en veiligheid. Althans, over de vrijheid van anderen en hoe zich die verhoudt tot de veiligheid van onszelf. Het leidt tot gevoelens van ongemak en angst, maar vooral ook tot lastige vragen.

Kort geleden zijn de paspoorten van potentiële jihadisten ingenomen, om te voorkomen dat ze afreizen naar Irak of Syrië en met IS of de Syrische oppositie mee gaan vechten. Aangemoedigd door bijvoorbeeld Sybrand Buma van het CDA, die hier eerder in de Volkskrant nog voor pleitte, heeft het kabinet besloten om preventieve daadkracht te tonen. Het lastige aan deze kwestie is dat het welhaast veronderstelt dat we van doen hebben met een ‘gedachtenpolitie’. Het gaat namelijk om ‘intenties’ en wie kan die ondubbelzinnig en bewijsbaar vaststellen? En als je ze eenmaal hebt vastgesteld, hoe ga je ze dan strafbaar stellen en welke straf ga je er, naast het uitreisverbod, aan verbinden?

Het zijn inderdaad lastige vragen. Nog afgezien van de juridische haken en ogen, en onze in de grondwet verankerde basisrechten, is er een morele dimensie die we niet uit het oog moeten verliezen. Kunnen en willen we in Nederland mensen gaan vervolgen omdat ze er bepaalde ideeën op nahouden? En, zo ja, welke neutrale instantie gaan we daar dan verantwoordelijk voor maken en welke methoden mag deze gebruiken?

In discussies over de bevoegdheden van de opsporingsdiensten is een veel gehoord argument “Ik heb niks te verbergen”. Het klinkt logisch, en ook ik bedien me er wel eens van, maar het is een te eenvoudige voorstelling van zaken. Want als we praten over intenties, gedachten, plannen en andere niet verwezenlijkte ideeën, dan is de kans op arbitraire, gerechtelijke dwalingen heel erg groot. Ik moet meteen denken aan het verhaal van het Amerikaanse echtpaar dat de FBI op bezoek kreeg, nadat de man en vrouw, daags na de aanslag bij de marathon van Boston, los van elkaar, hadden gezocht naar een snelkookpan en een rugtas – de artikelen die waren gebruikt bij de bomaanslag. Big Brother is watching you…

De angst regeert. En hoewel ik zelf denk dat de dreiging van zogenaamde ‘terugkerende Jihadstrijders’ schromelijk overdreven wordt, is de vrees ervoor wel enigszins begrijpelijk. Het betreft jongeren die er hele andere ideeën op na houden over hoe we als mensen met elkaar samenleven. En iedereen die van dichtbij een gewapend conflict heeft meegemaakt, weet hoezeer je mentale gezondheid er negatief door beïnvloed wordt. Het is, eufemistisch gezegd, een verre van ideale combinatie.

Maar iedereen die onze verworven vrijheden op prijs stelt – ik zou hier met name bijval van de heren en dames van bijvoorbeeld GeenStijl verwachten – zou niet het gevaar van de potentiële of terugkerende Syriëgangers moeten vrezen, maar eerder de gevaren die uitgaan van de manieren waarop de overheid daarmee omgaat. Door zowel de jongeren met intenties om af te reizen naar Syrië of elders, diegenen die sympathieën hebben voor buitenlandse strijders, of zij die als zodanig terugkeren, meteen als criminelen of (potentiële) terroristen te behandelen, gaat men contraproductief te werk. Het lijkt bijna alsof Opstelten en Buma cum suis op een zichzelf waarmakende voorspelling hopen, waarbij het radicaliseringsproces nog wat verder op gang geholpen wordt. Maar het belangrijkste argument tegen het (verder) optuigen van een Nederlandse ‘politiestaat’ is dat het bestraffen van het hebben van intenties en ideeën niet strookt met onze Nederlandse normen en waarden. Het is onrechtvaardig en druist in tegen onze Nederlandse rechtsstaat. En het is mijns inziens een enge ontwikkeling die weinig goeds doet vermoeden voor de toekomst van de vrijheid in Nederland

Weinig doen
In George Orwells 1984 zei O’Brien, een medewerker van het Ministerie van Waarheid, het treffend: ‘Wil je een beeld van de toekomst? Stel je een laars voor die stampt op een menselijk gezicht – voor altijd.’ Wie had kunnen denken dat die gelaarsde voet aan Ivo Opstelten zou toebehoren? In een democratische rechtsstaat als Nederland past zo’n gelaarsde voet niet; een uitgestoken hand zou beter zijn. En, in aanvulling daarop, een luisterend oor. Want hoewel we er ons dus steeds beter bewust van zijn hoe vreselijk de gevolgen van oorlog zijn, lijken we ons niet te kunnen verplaatsen in de wensen en ambities van een groep jongere Nederlanders, met name Moslims, en wordt er nauwelijks nagedacht over de beschikbare beleidsinstrumenten.

Wij, het publiek, zien de beelden en lezen de huiveringwekkende verhalen die correspondenten optekenen in vluchtelingenkampen of in de belegerde wijken en dorpen zelf. Maar naast geld geven, kunnen we weinig doen. En onze gekozen vertegenwoordigers, die wel mogelijkheden tot hun beschikking hebben, besloten pas tot inzet van militaire middelen na de twijfelachtige vaststelling dat onze eigen veiligheid in het geding was gekomen, wat betekent dat onze jongens en meiden eigenlijk niet worden ingezet om de veiligheid voor de belegerde Syriërs en Irakezen te verbeteren.

Dat kunnen we om geopolitieke redenen misschien nog wel verklaren, maar kunnen we niet net zo goed proberen begrip op te brengen voor het heftige verlangen van jongeren om de mensen te helpen met wie ze zich, omwille van een religieus geïnspireerd gevoel van medemenselijkheid, verwant voelen?

Het moge duidelijk zijn dat het een slechte zaak is dat ongetrainde jongens afreizen naar Syrië om daar in levensgevaarlijke situaties terecht te komen. Waar mogelijk moeten we daarom inderdaad deze jongeren tegen zichzelf in bescherming nemen. Maar dat bereik je het beste door ze op zijn minst serieus te nemen en niet weg te zetten als domme naïevelingen. En al helemaal niet door ze als potentieel gevaar of terrorist te brandmerken en hun paspoort af te pakken.

Nee, probeer bijvoorbeeld om de ongeleide woede over het onrecht en bloedvergieten in Syrië in te zetten om particuliere hulpprojecten, al dan niet religieus geïnspireerd, op touw te zetten of te ondersteunen. Niet alleen hier, maar vooral in Syrië zelf. De vraag of er in de toekomst ook grondtroepen naar het gebied gestuurd moeten worden, laat ik voor nu even onbeantwoord, maar qua hulpverlening zijn er sowieso ‘boots on the ground’ nodig. Veel meer dan ‘boots stamping on a human face’.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs

Jordy Pama - PortretJordy Pama – In juni van dit jaar zette ik een punt achter mijn Bachelor-opleiding ASW. Geïnspireerd door de grote commotie die onlangs was ontstaan rondom de figuur Zwarte Piet schreef ik mijn afstudeerscriptie over de vormen van racisme en hun uitingsvormen in de Nederlandse samenleving die de Zwarte Pietkwestie had blootgelegd.

Ook na het afronden van mijn scriptie bleef ik geïnteresseerd in het Zwarte Pietendebat, door RTL-nieuws zelfs gedoopt tot “Zwarte Piet Gate.” Wat opvalt in de discussie rondom de figuur is de hoeveelheid drogredeneringen die gehanteerd wordt door zowel voor- als tegenstanders van Piet. Een kort overzicht is op zijn plaats. Per drogreden zal ik proberen uit te leggen waarom dit een drogredenering is.

  1. De binaire verdeling

“Ik ben geen racist!” is een veelgehoorde kreet. Zo ook: “Kinderen zijn geen racisten!” In de basis is dit waar: haast niemand zal claimen een racist te zijn als hier naar gevraagd wordt. De drogredenering welke schuilgaat achter deze kreten wordt de binaire verdeling genoemd. Mensen die deze redenering aanhouden nemen aan dat iemand of racist is, of niet. Echter, het is veel zinvoller racisme te beschouwen op een schaal van ‘niet racistisch’ tot ‘zeer racistisch’. Door bij jezelf te rade te gaan wanneer jij mogelijk racistisch handelt betrek je ook onbewust racistische handelingen in je reflectie, en kun je een beter beeld vormen van je eigen positie op de schaal. Je kunt jezelf betrappen op racistische neigingen en hier actief iets mee doen. Kortom: je bent geen racist, maar je hebt mogelijkerwijs wel racistische neigingen.

  1. De ahistorische redenering

De ahistorische redenering is een redenering waarbij iemand de invloed van historische gebeurtenissen bagatelliseert. Hierbij gaat het om historische gebeurtenissen als gedwongen segregatie, oorlog, kolonialisme en slavernij,. Zo zijn tot op de dag van vandaag bijvoorbeeld de herinneringen aan de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog zichtbaar aanwezig in onze samenleving. Denk hierbij aan gedenkstenen, monumenten, herdenkingen en objecten/tentoonstellingen in musea. Mogelijkerwijs zorgt de afwezigheid van historische relikwieën uit de periode van de slavernij voor een minder groot besef van de impact van deze periode op de Nederlandse samenleving, ook al doen bijvoorbeeld de schilderingen op de Gouden Koets en opmerkingen over onze zogenaamde VOC-mentaliteit sommigen hier op licht ongemakkelijke wijze aan herinneren.

  1. De onbeweeglijkheidsredenering

De onbeweeglijkheidsredenering gaat over de verschillende vormen van racisme. De eerste associatie met racisme is veelal een beeld van white power-logo’s, skinheads en slavenarbeid op plantages. Het is dan ook verleidelijk om te beargumenteren dat racisme niet meer voorkomt in de Nederlandse samenleving. Echter, racisme is geen statisch fenomeen. De directe in your face uiting van racisme heeft plaats gemaakt voor subtielere, onbewuste en soms institutionele vormen van racisme. Zelfs als een persoon volstrekt niet racistisch is, kan het zijn dat hij of zij functioneert in een systeem dat racistische trekjes heeft zonder deze racistische tendensen zo te zien.

  1. De zwart-wit verdeling

Deze drogreden kenmerkt zich door het geloof dat alle donkere personen in een racisme-debat per definitie een andere mening hebben dan blanke personen in hetzelfde debat. Dit lijkt een open deur maar in het Zwarte Pieten debat komt het maar al te vaak voor dat er wordt aangenomen dat een donkere persoon automatisch tegen Zwarte Piet is, en een blanke persoon altijd vóór Zwarte Piet zou zijn. In het verlengde van deze drogredenering ligt de volgende drogredenering.

  1. De huidskleur/burgerschap-redenering

 De huidskleur/burgerschap-redenering is de eenvoudigst weerlegbare drogredenering. De redenering komt uitermate vaak voor in de discussie rondom Zwarte Piet. Mensen die vanuit deze aanname redeneren, doen vaak de volgende uitspraak: “Als deze cultuur je niet bevalt, dan rot je maar lekker op naar het land waar je vandaan komt”. Hierbij wordt vaak over het hoofd gezien dat huidskleur niets zegt over burgerschap. Een donker persoon kan evengoed Nederlander zijn als een blank persoon. Deze gedachtegang voelt als een open deur, maar wordt onbewust over het hoofd gezien. De aanname dat een donkere persoon geen Nederlander kan zijn en dus geen mening mag hebben over de Nederlandse cultuur is bovendien in zichzelf een racistische uitspraak: er wordt hiërarchisch onderscheid gemaakt tussen mensen op basis van huidskleur.

De discussie rondom Zwarte Piet kan gerust complex genoemd worden. Omdat de kwestie raakt aan de vraag wat onderdeel is van de Nederlandse culturele identiteit wordt het debat al snel emotioneel. Dit hoeft geen probleem te zijn, identiteit en racisme zijn emotioneel geladen begrippen en mogen ook zo besproken worden. Echter, de drogredenen zoals hierboven besproken verdienen geen plek in het debat. Sterker nog, ze vormen een obstructie voor het voeren van een goede discussie. Immers, een degelijk en constructief debat over racisme kan en mag niet gevoerd worden met racistische argumenten.

Maar hoe kunnen we dit debat wel op een constructieve manier voeren? Zoals gezegd hoeft het geen probleem te zijn dat het Zwarte Pietendebat een emotioneel beladen discussie is. Een voorwaarde moet dan wel zijn dat de verschillende gevoelens en belevenissen gelijkwaardig behandeld worden. In het geval van Zwarte Piet betekent dat: ook al denk jij dat Zwarte Piet geen racistisch stereotype is, accepteer dat mensen dit wel zo ervaren. En vice versa geldt: als jij van mening bent dat Zwarte Piet een racistisch stereotype is, accepteer dat mensen dit niet zo ervaren. Met andere woorden: accepteer het feit dat verschillende mensen verschillende belevingswerelden hebben. Als deze acceptatie er is, kan het debat op het scherpst van de snede gevoerd worden zonder te vervallen in drogredeneringen.

Jordy Pama is onlangs afgestudeerd bij ASW in het Domein Conflict en doet momenteel de Master Cultuursociologie aan de UvA.

Conflict Studies Blogs

Marte Ydema - IllustratieMarte Ydema – This qualitative study explores the sexual gendered norms employed by emerging adults (18-25) and the role these norms play in their sexual identity.  Five focus groups and three duo-interviews were conducted, with a total of 28 respondents of whom 21 female and 7 male. An interdisciplinary approach was used by exploring sociological notions like sexualisation and liquid love (Bauman, 2003) in the psychological context of emerging adulthood, drawing on gender theory to explain how sexual norms and double standards are socially constructed. A grounded theory approach was used to explore themes regarding (gendered) sexual norms and double standards. Results showed that emerging adults’ sexual identities are under constant scrutiny through judgements by others or self-judgement. Furthermore, emerging adults are confronted with multiple double standards and conflicting messages regarding sexual norms. Although sexual norms proved to be gendered, findings of this study show that the current emphasis on the victimisation of women should be nuanced, since both men and women are confronted with double standards and conflicting messages regarding sex. This study shows that emerging adults engage in acts to resist gender stereotypes. Hence, emerging adults are neither fully empowered nor passive subjects with regard to their sexual identity.

BachelorscriptieASW_Marte_Ydema

Global Youth Theses

Lianne Schmidt - IllustratieLianne Schmidt – This interdisciplinary research concerns the conceptualization and measurement of poverty as part of the Millennium Development Goals from the perspective of inclusive development. Although the MDGs are seen as a huge success based on the progress in the field of poverty reduction, these results have proven to be very uneven. Furthermore the way these results of the first goal on eradicating poverty are measured (by the amount of people living below the poverty line of 1,25 dollar a day) has been strongly criticized. These issues have been further examined by the use of both qualitative interviews and quantitative secondary data analysis The results have shown that through for instance the use of multiple and national poverty lines along with the poverty gap, inequality as well as well as poverty could be monitored and reduced more effectively as part of a more inclusive Post-2015 Development Agenda.

BachelorscriptieASW_Lianne_Schmidt

 

Conflict Studies Theses

Charlotte Prenen - IllustratieCharlotte Prenen – In dit ‘mixed-methods’ onderzoek is de rol van zelfpresentatie op Facebook op het psychisch welzijn van jongvolwassenen (18 tot 25 jaar) onderzocht. Het onderzoek is interdisciplinair van aard. Inzichten uit de sociologie, communicatiewetenschap en psychologie zijn geïntegreerd om zo een compleet mogelijk beeld van de situatie te geven. Het onderzoek bevat aanvankelijk een kwantitatieve methode van onderzoeken waarbij een vragenlijst is ingevuld door 91 jongvolwassenen. Resultaten laten zien dat er een negatief effect van zelfpresentatie op het zelfvertrouwen van jongvolwassenen bestaat. Aan de hand van de kwantitatieve resultaten is een interviewschema samengesteld en zijn er acht semi-gestructureerde interviews uitgevoerd. De interviews zijn afgenomen met vier vrouwelijke en vier mannelijke respondenten die verschillen in hun manier van zelfpresentatie op Facebook. Uit de interviews is gebleken dat respondenten zich allemaal bezig houden met het beeld dat zij van zichzelf presenteren op Facebook.  Dit onderzoek laat zien ondanks het feit dat jongvolwassenen zich in een kwetsbare periode in hun leven bevinden waarbij evaluaties van leeftijdsgenoten als belangrijk wordt ervaren, zelfpresentatie op Facebook geen noemenswaardige invloed heeft op hun welzijn.

BachelorscriptieASW_Charlotte_Prenen

Global Youth Theses

Michelle van der Heijden - Illustratie2Michelle van der Heijden – In de huidige prestatiemaatschappij zijn succes en falen steeds meer een eigen verantwoordelijkheid. Topsport is de plek bij uitstek waar deze eigen verantwoordelijkheid, en de bijbehorende druk om te presteren, duidelijk aanwezig is. Ook binnen  RJO’s (Regionale Jeugd Opleidingen), waar jonge voetbaltalenten worden opgeleid tot profvoetballer, komt het competitie-aspect duidelijk naar voren, gekoppeld aan de eis om enorme inspanningen te leveren en een relatief kleine kans op succes. Om een beter inzicht te krijgen in de ervaringen van de talenten met deze prestatiedruk is er een kwalitatief onderzoek uitgevoerd, waarbij er diepte-interviews zijn gehouden met 12 talenten van 12 tot 15 jaar oud die momenteel bij een RJO voetballen. Hierbij is, vanuit het perspectief van de talenten zelf, gekeken naar de bronnen en de gevolgen van deze prestatiedruk, en de manieren waarop de talenten hiermee omgaan.

BachelorscriptieASW_Michelle_van_der_Heiden

Global Youth Theses

9869439623_4142e52674_qLianne van Goethem – Dit onderzoek gaat in op verschillende ervaringen van jongvolwassenen die tijdens een gap year vrijwilligerswerk in het buitenland hebben gedaan. Hierbij wordt gekeken naar hoe jongvolwassenen hun ervaringen construeren ten opzichte van hun levenspad. In deze moderne samenleving worden jongvolwassen geacht bewust om te gaan met hun keuzes in complexe transities en levenspaden.   Met behulp van diepte-interviews en een analyse van reisblogs wordt in dit onderzoek het perspectief van jongvolwassenen in kaart gebracht. Er kan gezegd worden dat de jongvolwassenen uit dit onderzoek zowel voor, tijdens als na hun reis bewust bezig zijn geweest met hun ervaringen hoe deze een rol spelen in hun leven. Hierbij lijkt het nemen van een gap year een nieuwe, opkomende traditie voor de huidige generatie van jongvolwassenen.

BachelorscriptieASW_Lianne_van_Goethem

Global Youth Theses

Dionne Poulussen - IllustratieDionne Poulussen – Bos en Lommer wordt tegenwoordig regelmatig BoLo genoemd, een verwijzing naar SoHo in New York. Deze benaming is opgekomen met de gentrification die zich in deze wijk voordoet. Gentrification is de opwaardering van de buurt in sociale, culturele en economische zin, door de bewoners en/of instituties. In deze scriptie is onderzocht in hoeverre de ervaringen met en de toekomstperspectieven voor gentrification in Bos en Lommer verschillen tussen de bewoners en de betrokken publieke en private partijen. Deze case study is onderzocht op een interdisciplinaire manier met een mixed methods onderzoeksstrategie, waarbij het semigestructureerde interview, de enquête en gestructureerd observeren de onderzoekmethoden waren. Er blijkt in Bos en Lommer sprake te zijn van gentrification in een deel van de wijk. De publieke en private partijen en sommige bewoners zijn positief over de veranderingen en werken hier aan mee. Andere bewoners zien de ontwikkeling als bedreiging voor kwetsbare mensen met een zwakke sociaaleconomische positie.

BachelorscriptieASW_Dionne_Poulussen

Urban Studies Theses

Myrthe Baaij - Illustratie1Myrthe Baaij – Dit onderzoek haakt in op de huidige problematiek omtrent herstructurering. In het bijzonder wordt getracht te analyseren wat de redenen zijn om een (nieuwbouw)woning te weigeren. Deze scriptie richt zich specifiek op de rol van de buurt en de mate waarin de buurt een plaats inneemt bij dit keuzeproces.  Het kwalitatieve onderzoek heeft plaatsgevonden in twee complexen in Amsterdam Nieuw-West: Nieuw Reimerswaal en West Avenue. Uit de resultaten bleek dat de buurt wel degelijk een rol heeft gespeeld bij de weigering en acceptatie van woningen. In het bijzonder is de mate van buurtbinding van groot belang op de verhuisbereidheid en daarmee het keuzeproces.

BachelorscriptieASW_Myrthe_Baaij

Urban Studies Theses

Eeuwige sneeuw?Robin Fraiture – Klimaatmigratie heeft de aandacht van de internationale politieke arena gekregen, zo ook de aandacht van de Europese Commissie. De Europese Unie is een belangrijke aanbieder van humanitaire- en ontwikkelingshulp aan gebieden die geteisterd worden door milieurampen. Het ontbreekt echter aan onderzoek in hoeverre deze hulp daadwerkelijk op de behoeften van klimaatmigranten aansluit. En wat zijn überhaupt deze behoeften, welke push enpull factoren bestaan er op het gebied van klimaatmigratie? In dit documentonderzoek is getracht dit uiteen te zetten en is gebleken dat de beleidsvoorstellen van de Europese Commissie ten aanzien van klimaatmigratie een stap in de goede richting zijn, maar dat ze op een aantal punten tekort schieten. Naast het doen van meer onderzoek naar dit fenomeen is het van belang al bestaande ontwikkelingshulpprogramma’s te herzien en lijkt de Europese Commissie achter te lopen op de implementatie van beleidsvoorstellen. Deze zouden bij kunnen dragen aan adaptatie aan klimaatverandering waardoor het aantal ontheemden in een regio gereduceerd wordt.

Scriptie Robin Fraiture

Conflict Studies Theses

Aafke van der Heide - IllustratieAafke van der Heide – Dit onderzoek gaat over third culture individuals (TCIs). Een TCI is een persoon die een significant deel van zijn of haar jeugd doorgebracht heeft in andere landen of culturen dan die van de ouders. De TCI neemt hierbij elementen uit verschillende culturen in zich op, zonder volledig bezit te hebben genomen van één cultuur. Er zijn 15 semigestructureerde interviews afgenomen onder third culture individuals die momenteel in Nederland wonen. Er is met deze interviews ten eerste onderzocht welke invloed het opgroeien als een TCI heeft gehad op de persoonlijke en culturele identiteit. Verder is er gekeken naar het aanpassingsvermogen van de TCIs en in hoeverre ze zich in Nederland hebben kunnen aanpassen. Er is vervolgens onderzocht hoe tolerant TCIs Nederland vinden.

BachelorscriptieASW_Aafke_vander_Heide

Conflict Studies Theses

Gay RightsLaurens Buijs – Onlangs publiceerde Rob Wijnberg het stuk ‘Waarom ik tegen het tolereren van homo’s ben’ op De Correspondent, dat een instant hit werd op sociale media. In het stuk beargumenteert Wijnberg dat homo-emancipatie niet tolerantie maar erkenning als einddoel moet hebben, omdat het simpelweg ‘tolereren’ van seksueel verschil geen eind maakt aan vooroordelen, en normalisering van homoseksualiteit in de weg staat. Laurens Buijs traceert het emancipatiebegrip tot zijn oorsprong in de seksuele revolutie van de twintigste eeuw, en beargumenteert dat ook Wijnberg de emancipatiefilosofie van de seksuele voorvechters niet goed begrepen heeft.

Homo-emancipatie en het vooruitgangsdenken

Niet Heineken, Ahold of Royal Dutch Shell: het sterkste Nederlandse merk is nog altijd Nederland zelf. Niet alleen Nederlanders zien zichzelf als homotolerant, maar over de hele wereld associëren mensen ons land direct met seksuele vrijheid. Omdat seksuele vrijzinnigheid zo’n belangrijke rol speelt in het zelfbeeld van de Nederlanders, is het niet verwonderlijk dat homo-emancipatie een prominente rol blijft opeisen in publieke discussies over de Nederlandse cultuur.

Zo luidde de opkomst van Pim Fortuyn een tijdperk in van wat sociologen ‘seksueel nationalisme’ (in Nederland onder andere uitgewerkt door Paul Mepschen) noemen: sindsdien wordt acceptatie van homoseksualiteit continu aangevoerd in het definiëren van de autochtone, Nederlandse cultuur. In het verhaal van de Fortuynisten fungeert de autochtone bevolking als de groep die na een lange emancipatiestrijd eindelijk “geëmancipeerd” of “seksueel bevrijd” genoemd kan worden. Maar helaas, net op dat moment komt er een stroom nieuwkomers die van die strijd niets heeft meegekregen en de hele samenleving terug in de tijd dreigt te werpen. Of zoals Pim Fortuyn het formuleerde: “Ik heb geen zin de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen nog eens over te doen.”

Met hun hang naar gemeenschap en traditie dreigen de nieuwkomers dus in botsing te komen met de moderne en geëmancipeerde autochtoon, zo luidt het verhaal. Dit laat zien hoe tegenwoordig betekenis aan homo-emancipatie wordt gegeven: als een vorm van maatschappelijke vooruitgang. Onderdrukking van homoseksualiteit zijn we als onbeschaafd gaan zien; een eigenschap van dogmatische en achterlijke personen of ideologieën. Zij die een accepterende houding naar homoseksualiteit hebben worden gezien als moderne burgers die zich hebben weten te bevrijden van tradities en dogma’s.

Het kan niet anders of het klinkende succes van de nieuw-rechtse politieke bewegingen moet een rol hebben gespeeld in de renaissance van de aandacht voor homo-emancipatie sinds 2000. Sinds die tijd publiceert het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) bijvoorbeeld bijna jaarlijks rapporten waarin “de staat” van “de homoacceptatie” in Nederland in kaart wordt gebracht. Sinds die tijd maken ook politici zich druk over de “emancipatieachterstand” onder etnische en religieuze minderheden. Sinds die tijd beweren woordvoerders van homobelangenvereniging COC dat de homo-emancipatie in Nederland “nog niet voltooid” is. En sinds die tijd is er steeds vaker maatschappelijke verontwaardiging over landen als Rusland en Oeganda waar de homo-emancipatie “achteruit holt”.

Het lijkt onmogelijk om uit het handelen van al deze verschillende personen met hun verschillende belangen en achtergronden een gedeelde definitie van homo-emancipatie te destilleren. Toch valt het me op dat er desondanks brede overeenstemming is, en wel op drie aspecten:

1. Emancipatie duidt een einddoel aan. Emancipatie is iets wat “bereikt” kan worden, maar ook iets wat nog voor het “voltooid” is kan “stagneren” of zelfs “achteruit kan gaan”;

2. Dit einddoel wordt gedefinieerd als ontplooiing van individuen of groepen. Homo’s kunnen al dan niet geëmancipeerd zijn, en dit geldt ook voor hetero’s, autochtonen, allochtonen, mannen, vrouwen, moslims, christenen, jongeren, ouderen, sporters, scholieren, et cetera. Met andere woorden: een individu, maar ook een groep of cultuur als geheel kan aangeduid worden als meer of minder geëmancipeerd;

3. Dit einddoel wordt verder zelden concreet of praktisch gemaakt. Meestal wordt het doel inabstracte termen gegoten, zoals bevrijding van seksuele repressie en het streven naar gelijkheid, tolerantie of acceptatie.

Kort gezegd komen deze overeenkomsten voort uit het feit dat men in Nederland ondanks de diversiteit aan bijdragen in de basis hetzelfde denkt over homo-emancipatie: als een vorm van vooruitgang. Dat is ook de reden dat mensen van links tot rechts zich er zo gretig mee kunnen identificeren: wie zichzelf profileert als homotolerant wordt gezien als iemand die op de troepen vooruit loopt, en krijgt dus een gratis egoboost.

De NVSH: aan de oorsprong van de seksuele emancipatie in Nederland

Mijn argument is echter dat het een misverstand is te assumeren dat het succes van de Nederlandse emancipatiebewegingen voortkomt uit vooruitgangsdenken. Om dat te illustreren ga ik terug in de tijd naar de hoogtijdagen van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH). Deze beweging komt onder andere voort uit het activisme van seksuoloog, arts en abortusbepleiter Jan Rutgers (naar wie de Rutgers Stichting en de Rutgers Nisso Groep zijn vernoemd), en had op zijn hoogtepunt in 1966 – tijdens het voorzitterschap van de populaire Mary Zeldenrust-Noordanus – meer dan 200.000 leden.

De seksuele revolutie in Nederland was een complex platform van strijd dat getypeerd werd door de botsing van allerlei tegengestelde opvattingen. Een analyse van de emancipatiefilosofie van de NVSH van Zeldenrust levert daarom dus geen compleet beeld op van het denken over seksualiteit in Nederland tijdens de ‘long sixties’. Wel geeft een bestudering van de opvattingen van Zeldenrust een inkijkje in de denkwijze en strategie van een van de meest invloedrijke seksuele bewegingen in de Nederlandse geschiedenis.

1. Emancipatie als voortdurend proces

Zoals gezegd zijn we emancipatie gaan zien als iets wat een einddoel aanduidt. Maar Zeldenrust zette zelf expliciet haar vraagtekens bij dit vooruitgangsdenken over emancipatie. Toen ze in een interview later in haar leven werd bevraagd over haar bijdrage aan de seksuele revolutie, zei ze: “Ik heb nooit kunnen achterhalen wie die term revolutie heeft uitgevonden. En nee, ik zou het woord revolutie in dit verband ook zeker niet onderschrijven. Ik geloof niet dat er zoveel veranderd is, en zo snel veranderd is, dat er van een revolutie zou kunnen sprake zijn.”

Emancipatie was volgens Zeldenrust niets meer dan een geleidelijk proces, waarbij stapje voor stapje veranderingen worden geboekt. Doordat het niet te voorspellen is hoe deze veranderingen vervolgens doorwerken in de samenleving, moesten emancipatiedoelen volgens Zeldenrust elke keer opnieuw bepaald worden.

Daarom vond zij het ook een vergissing om het succes van de vroege emancipatiebeweging als een breuk met het verleden te zien: “Er zijn veel dingen waarvan ik de indruk heb dat er alleen maar wat makkelijker over wordt gepraat, en dat het in het gedrag van mensen niet zo verschrikkelijk veel uitmaakt. […] Dus ik denk dat die zestiger jaren een beetje overdreven worden naar hun invloed naar mijn gevoel, en waar je ook makkelijk, omdat er allemaal toch wel leuke dingen gebeurden, nostalgisch over kan gaan doen.”

De seksuele revolutie hield volgens haar geen radicale breuk in tussen een achterlijk verleden en een bevrijde toekomst, omdat emancipatie door haar niet gezien werd als het bereiken van een vastliggend einddoel, maar als een voortschrijdend proces; als een strijd die continu aan de veranderende samenleving moest worden aangepast.

2. Emancipatie als herschikking van menselijke relaties

Niet alleen betwijfelde een van de belangrijkste voorvechters van de seksuele revolutie in Nederland, Zeldenrust, dat emancipatie een duidelijk vast te stellen einddoel heeft, ook vroeg zij zich af of seksualiteit überhaupt wel het centrale thema moet zijn voor emancipatiebewegingen:

“Veel belangrijker [dan seksualiteit] is de totale manier waarop mensen met mekaar omgaan, […] hoe mensen met mekaar te maken hebben. We hebben te maken met mensen die denken dat abortus in alle gevallen verboden is. Dat homofilie zonde is, dat voorechtelijk geslachtsverkeer uit den boze is, dat buitenechtelijk geslachtsverkeer een bedreiging is voor de hemel mag weten wat allemaal. Maar [het gaat niet om die punten op zichzelf], het gaat om hoe mensen op een nogal dichtbevolkte aardbol met mekaar leven. En dan is seks niet het onderwerp, maar dat zijn mensen met mekaar, en maatschappelijke structuur, het onderwerp. En dan zou het in mijn gevoel wel eens zo kunnen zijn dat macht, autoriteit, geld, daarbij gekoppeld geweld, veel belangrijker onderwerpen zijn in de omgang van mensen met elkaar, dan seks. Hoe blij ik ook ben met de ontwikkelingen die er geweest zijn.”

Voor haar ging seksuele emancipatie in de eerste plaats dus niet over het bevrijden van individuen of groepen, maar over het herschikken van relaties tussen mensen, waarbij ze erkende dat die relaties bepaald worden door zaken veel omvangrijker dan seksualiteit zelf: geld, macht en autoriteit. Bovendien kon seksualiteit volgens haar onmogelijk los worden gezien van de rest van de persoonlijkheid van mensen. Seksuele emancipatie moest er volgens haar toe leiden dat mensen er een gelukkiger persoonlijk leven op nahielden, omdat meer maatschappelijke ruimte voor seksualiteit de weg kon vrijmaken voor de “integratie van verschillende werelden” die mensen uit schaamte en taboe geneigd zijn gescheiden te houden, met zorgen en stress tot gevolg.

3. Emancipatie als alledaagse veranderingen

Het zal inmiddels geen verrassing meer zijn dat in de emancipatiefilosofie van Zeldenrust weinig ruimte was voor wollige taal, egocentrisme en abstracte dromen: het ging haar om het langzaam maar zeker bereiken van veranderingen in de weerbarstige praktijk van het leven van mensen. In de mission statement van de NVSH stonden tijdens haar leiderschap dan ook geen vage doelen als tolerantie of acceptatie geformuleerd, maar een lange waslijst van concrete wensen over zaken als voorechtelijk geslachtsverkeer, prostitutie, pornografie en abortus. Wensen die voortkwamen uit een grondige bestudering van de taboes waar velen toen mee worstelden.

Seksualiteit betekende voor haar heel wat anders dan voor de intellectuelen en activisten van hedendaags Nederland. Zij dacht niet in termen van duidelijk af te bakenen en vastliggende maatschappelijke groepen als lesbiënnes, homo’s, bi’s, transseksuelen (LGBT’s) en hetero’s, maar in continu verschuivende maatschappelijke problemen die elke keer om dynamische allianties vroegen. Zo hadden volgens haar niet alleen homo’s last van ouderwetse rolpatronen over mannelijkheid en vrouwelijkheid, maar ook hetero’s zelf: “Aanvaarding van homoseksualiteit betekent homofiele trekjes herkennen bij hetero’s, en heterofiele trekjes erkennen bij homo’s: een verrijking van de mogelijkheden, die het leven biedt.”

Zeldenrust zag seksuele emancipatie dus als het aanpakken van concrete zorgen van mensen die niet konden of wilden voldoen aan de heersende seksuele moraal. De veranderingen die de emancipatiebeweging moest nastreven goot zij nooit in abstracte termen, maar moesten voelbaar en aanwijsbaar zijn in het leven van mensen. Voor Zeldenrust was het doel van homo-emancipatie bijvoorbeeld nooit slechts ‘gelijkheid’, ‘erkenning’ of ‘acceptatie’ van homoseksualiteit. Het doel moest zijn dat homoseksuelen praktische handvatten kregen om een gelukkig, zinvol en geïntegreerd leven te kunnen leiden.

Een nieuw emancipatiebegrip

Voor Zeldenrust was seksuele emancipatie geen doel op zichzelf. Zij praatte ook niet over een liberaal ideaal van bevrijde individuen of groepen, en beriep zich evenmin op een breuk met het verleden of de komst van de moderniteit. Zij definieerde emancipatie niet in algemene termen zoals gelijkheid, vrijheid en tolerantie, maar nam concrete praktijken en gedragingen als maatstaf. Een grondige bestudering van de filosofie van Zeldenrust laat zien dat het huidige denken over emancipatie geen recht doet aan de indrukwekkende en ingewikkelde strijd van de voorvechters.

Rob Wijnberg heeft gelijk als hij zegt dat het begrip homotolerantie grote beperkingen heeft, maar dat probleem is niet op te lossen met het simpelweg vervangen van het ene abstracte begrip (tolerantie) door het andere (erkenning). Een nieuw emancipatiebegrip is nodig dat niet uitgaat van een breuklijn tussen achterlijk en modern, maar dat de continuïteit tussen het heden en het verleden in ere herstelt. Een begrip dat erkent dat emancipatie niet gaat over het wijzen naar ongeëmancipeerde individuen of groepen, maar dat een voortdurende herschikking van maatschappelijke relaties wil bereiken. Een begrip dat niet vertrekt van statische einddoelen en vastliggende groepen, maar dat het vormen van dynamische allianties rond veranderlijke maatschappelijke problemen ten doel stelt. Een begrip dat zich bovendien niet verschuilt achter nobele maar lege ‘grote begrippen’ als gelijkheid, tolerantie en erkenning, maar dat praktisch voelbare veranderingen in het dagelijks leven van mensen nastreeft.

Met andere woorden: Mary Zeldenrust-Noordanus herinnert ons aan het feit dat echte emancipatie veel meer creativiteit vergt dan het vooruitgangsdenken te bieden heeft. Het wordt tijd dat de emancipatiebeweging van nu dat inzicht weer centraal stelt.

Dit opiniestuk verscheen eerder op de website TENK

Laurens Buijs werkt als docent bij de afdelingen Politicologie en Algemene Sociale Wetenschappen.

Global Health Blog

14161983123_4c2e28cd4e_qMartijn Dekker – Onlangs verzandde ik in een online discussie met enkele ‘Facebookvrienden’ over racisme en vooroordelen. Nadat ik had bekend dat ik, ondanks mijn links-liberale, progressieve inslag, stiekem best wel van politiek-incorrecte grapjes houd, waren de reacties niet mals.

Misschien was ik iets te oprecht. Zo maak ik graag grapjes over Joden, Moslims, Christenen, Marokkanen, Belgen, Nederlanders, negers, blanken, rechtse en linkse mensen, socialisten, fascisten, milieufanaten, feministen, VVD-ers, PVV-ers, GroenLinksers, homo’s, lesbiennes, mannen, vrouwen en kinderen. En ja, in navolging van Gordon in Holland’s Got Talent, ook over Chinezen.

Nadat een van de deelnemers aan de discussie had vastgesteld dat ik dus gewoon een racist ben, ging ik bij mijzelf te rade. Ben ik inderdaad racistisch?

Enerzijds moest ik bekennen dat ik als heteroseksuele (of beter: metroseksuele) hoogopgeleide, middenklasse-, blanke man makkelijk praten heb. Goed, in Haarlem opgroeien als Feyenoordsupporter heeft me geleerd hoe het is om tot een minderheid te behoren – met alle beledigingen, pesterijen en klappen die daar soms bijhoren – maar met structurele discriminatie, uitsluiting of achterstelling heb ik eenvoudigweg geen ervaring.

Toen ik daar nog wat dieper over nadacht, kwam ik tot de conclusie dat ik misschien juist daarom ook nauwelijks een probleem heb met grappen ten koste van mijzelf. En dat ik mijzelf daarom ook allerminst spaar; zelfspot is mij niet vreemd. Omdat ik in het dagelijks leven verder geen effecten van discriminatie of uitsluiting ervaar, raken grappen niet aan de kern van mijn wezen. Maar voor bijvoorbeeld mensen met een donkere huidskleur, die in Nederland in het dagelijks leven wel discriminatie en racisme ervaren, is dat een heel ander verhaal. Vandaar ook de ophef over Zwarte Piet.

En dat jongens van wie de ouders of grootouders in Marokko zijn geboren wat minder kunnen lachen over Marokkanengrappen, dat is bepaald niet vreemd. Als je dagelijks in verband wordt gebracht met overlast, criminaliteit en overlast, dan roept een lollig bedoelde opmerking heel wat meer negatieve emoties op. Als die opmerking überhaupt al ‘lollig’ bedoeld is.

Anderzijds zijn er diverse onderzoeken die uitwijzen dat het hebben van vooroordelen ten opzichte van andere mensen simpelweg onderdeel is van de ‘menselijke natuur’. Het is als het ware voorgeprogrammeerd in het menselijk brein. Hoewel ik weinig op heb met biologisch-deterministische verklaringen voor menselijk gedrag, waar iemand als Dick Swaab in grossiert, ben ik geneigd te geloven dat hier wel een kern van waarheid in zit. Categoriseren en snelle conclusies trekken op basis van oppervlakkige observaties zijn handig gereedschap in het dagelijks leven.

In vroeger tijden was het van vitaal belang dat je op basis van iemands uiterlijk snel kon bepalen of hij of zij tot een andere stam behoorde en daardoor levensgevaarlijk kon zijn. Natuurlijk spelen dergelijke overwegingen in onze moderne samenleving nauwelijks meer een rol, maar om een triviaal (en ietwat discriminerend) voorbeeld te noemen: als ik bij de bakker sta te wachten en ik zie een oudere vrouw binnenkomen, dan let ik extra goed op mijn beurt, want het is mij meer dan eens overkomen dat zo iemand voordringt. En iedereen gelooft in dat geval dat niet de jongere, maar de oudere persoon de waarheid vertelt over de volgorde van binnenkomst.

In dit voorbeeld betreft het een vooroordeel over aan leeftijd gekoppeld gedrag, maar er zijn talloze andere voorbeelden te bedenken. En vaak zijn ze helemaal niet terecht, maar slechts gebaseerd op eerdere ervaringen of, in veel gevallen, op alles wat tot ons komt via de media. Als antropoloog ben ik mij uiteraard bewust van het feit dat de verschillen tussen mensen sociaal geconstrueerd zijn en veel minder groot dan sommigen denken. En ook ben ik me uiteraard volledig bewust van de nog steeds veel voorkomende discriminatie, uitsluiting, vooroordelen en de gevoeligheden die daarbij horen. Maar, ondanks enkele wetenschappers die het tegendeel beweren, staat spelen met vooroordelen niet los van werkelijke discriminatie? Zijn grappen of losse opmerkingen echt per definitie een uiting van dieper liggende racistische overtuigingen?

Mensen kunnen denigrerende opmerkingen uiteraard interpreteren zijnde racistisch, maar dat zegt nog niets over de intenties. Met andere woorden, hebben we soms niet eerder te maken met overgevoeligheid dan met racisme, zeker in het geval van politiek-correct ‘goed volk’ dat het opneemt voor de ‘minder bedeelde medemens’? Ik heb de mening van de betreffende, Chinese Holland’s Got Talentkandidaat nog niet gehoord, om maar een voorbeeld te noemen.

Ik ben een groot voorstander van de vrijheid van meningsuiting, maar ik behoor niet tot die groep mensen die vinden dat je dan ook maar alles moet zeggen. Er is een groot verschil tussen alles mogen zeggen en ook alles daadwerkelijk zeggen. In de online discussie wierp ik daarom op dat je je altijd bewust moet zijn van de omgeving en context waarin je je grappen maakt. Maar zo terugkijkend, besef ik dat ook hier een verkeerde draai aan gegeven kan worden. Want ik wil hier allerminst mee beweren dat je je denigrerende opmerkingen stiekem alleen in de privésfeer moet maken.

Dat raakt namelijk aan het beroemde onderscheid tussen front- en backstageretoriek dat wordt gebruikt om, bijvoorbeeld, de verschillen aan te geven tussen wat extreme politici in het openbaar zeggen en, zich in een veilige omgeving wanend, tegen hun meest fanatieke aanhangers. Dit onderscheid komt bijvoorbeeld ook terug bij de analyses van de toespraken van imams, die in de moskee, in het Arabisch, toch iets anders blijken te zeggen dan in het openbaar, in het Nederlands.

Nee, ik vind dat politiek-incorrecte grapjes in principe ook in het openbaar gemaakt moeten kunnen worden. Ik weet dat ik hiermee heel veel mensen tegen de schenen schop, en een aanzienlijk deel van de politiek-correcte goegemeente in Nederland van mij vervreemd, maar ik moest stiekem best lachen om de opmerkingen van Gordon in Holland’s Got Talent. (Het was in ieder geval grappiger dan de opmerkingen over homo’s van Van der Gijp in Voetbal International, want die heb ik veel beter in vorm gezien qua humor.)
Wat Gordon feilloos liet zien, is dat het niet alleen grappig kan zijn om met bestaande vooroordelen te spelen, maar dat juist de critici vooroordelen ook geïnternaliseerd hebben. Of je je nu ergert aan de vraag of de van oorsprong Chinese kandidaat ‘nummer 39 met rijst’ gaat zingen of dat je erom moet lachen, je weet in beide gevallen precies wat er bedoeld wordt. Mijns inziens veronderstelt dit dat het spelen met dergelijke vooroordelen dus niet betekent dat je automatisch een racist bent. Je bent je in beide gevallen vooral bewust van het bestaan van dit soort vooroordelen. Zonder dat ik het Gordon heb gevraagd, durf ik zelfs wel te beweren dat het in dit geval, op een meta-niveau, best wel zou kunnen gaan om het belachelijk maken van de vooroordelen zelf en niet van de mensen waar die vooroordelen over gaan.

Natuurlijk vind ik racisme verachtelijk, zeker in geïnstitutionaliseerde vorm, maar laten we ook niet Roomser dan de Paus zijn. Vooroordelen zijn niet alleen nuttig om op een efficiënte manier met de wereld om ons heen om te gaan, maar ze kunnen ook bevrijdend werken. Door vooroordelen op een grappige manier aan de kaak te stellen, kun je ze ook van hun scherpe randjes ontdoen. Het is een kwalijke zaak als vooroordelen daadwerkelijk negatieve effecten op het leven (en het beleven ervan) van mensen hebben en dan moeten we dat zeker ter discussie stellen en proberen er iets aan te doen. Maar spélen met vooroordelen hoeft zeker niet direct aan racisme gekoppeld te zijn. Sterker nog, politiek-incorrecte humor is vaak best grappig.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder op de website van de Volkskrant verscheen.

Martijn Dekker is docent aan de afdelingen Algemene Sociale Wetenschappen en Politicologie (Conflict Studies).

Conflict Studies Blogs

Pim de Vleeschhouwer - IllustratiePim de Vleeschhouwer – In deze scriptie is onderzocht in hoeverre anarchisten en anarchisme onderhevig zijn aan marginaliseringsmiddelen in mediaberichtgeving. Daarbij is geprobeerd inzicht te krijgen in de relatie tussen anarchisten en media, door de ervaringen van anarchisten met betrekking tot mediaberichtgeving te onderzoeken. Hiervoor is een kwantitatieve media-analyse uitgevoerd, zijn kwalitatieve diepte-interviews met anarchisten gehouden en is aan participatieve observatie gedaan. In de media-analyse zijn veel marginaliseringsmiddelen aangetroffen, die duiden op een negatieve mediarepresentatie. De ervaring van anarchisten omtrent media is kritisch doordat anarchisten de media beschouwen als onderhevig aan kapitalistische logica en als onderdeel van een machtsnetwerk met de overheid en het bedrijfsleven. De anarchisten beschrijven gevolgen in sociale omgang, waarbij negatieve associaties over anarchisten in mediaberichtgeving door niet-anarchisten geïnternaliseerd worden. Omdat anarchisten de mediaberichtgeving als verlengstuk van het systeem zien, wordt daar niet het primaat van hun sociale omgang en politieke uitingen gelegd.

BachelorscriptieASW_Pim_de_Vleeschhouwer

Conflict Studies Theses

Joeke Kuyvenhoven - IllustratieJoeke Kuyvenhoven – In dit onderzoek is gekeken naar de buurtbeleving en buurtparticipatie van meiden tussen de 10 en 14 jaar in de Landlustbuurt. Dit is op kwalitatieve wijze onderzocht door middel van participerende observatie in de buurt en tijdens buurtactiviteiten, semigestructureerde interviews en visuele etnografie in de vorm van foto’s die gemaakt zijn door de respondenten. De Landlustbuurt is een buurt in Amsterdam-West met veel maatschappelijke problematiek. Ondanks de negatieve aspecten van de buurt, kwam uit het onderzoek naar voren dat de meiden erg positief zijn over de Landlustbuurt. Dit positieve beeld is met name te danken aan de sociale relaties die de meiden in de buurt hebben.

BachelorscriptieASW_Joeke_Kuyvenhoven

Global Youth Theses